Wie met woorden werkt, hecht grote waarde aan hun betekenis. Maar je hoeft geen schrijver van beroep te zijn om te weten dat de meeste woorden niet alleen een letterlijke betekenis hebben. In mijn kinderjaren, die gelijkvielen met de jaren van polarisatie in de jaren zeventig, ontdekte ik al snel de bijbetekenissen van links en rechts. Hoewel ik plastic soldaatjes en miniatuurtanks van Matchbox tot mijn speelgoed mocht rekenen – waarbij ik de Duitse pothelmen en Tigers heimelijk van het fraaiste ontwerp vond – liep ik ook mee in de beroemde antikernwapendemonstratie door de straten van Den Haag. Aan de hand van mijn vader, die links stemde terwijl hij voor een grote oliemaatschappij werkte. En ik was het gloeiend met hem eens, jaren later resulterend in een pacifistisch-socialistisch stemgedrag dat me nooit meer heeft verlaten. Wat wil je ook als je in Amsterdam studeert. Tegelijk nam hij me mee naar Zandvoort, waar ik vanaf mijn achtste alle navolgende Grote Prijzen van Nederland vanuit het pitgebouw heb aanschouwd, jaren later resulterend in een autoliefde waar zelfs de gematigdste milieupartij geen goed woord voor overheeft. Kortom, waar destijds in de rest van de samenleving de begrippen links en rechts de loopgraven hadden betrokken, daar dwaalde ik vrolijk door niemandsland.
Op het eerste gevoel was het voor mij dan ook thuiskomen toen paars in dit land aan de macht kwam. Het niemandsland van links en rechts was opeens doorgedrongen tot het centrum van de macht. En het heeft zijn verwoestende effect gehad. Waar links steeds meer ging staan voor conservatisme (behoud van sociale rechten, behoud van het milieu, natuurbehoud), daar beleed rechts ideeën die je progressief kunt noemen, in de zin van verandering nastrevend (technologische vooruitgang, de Zalmnorm, Europa).
Toen kwam Fortuijn. En die maakte er helemaal een rommeltje van. Zijn standpunten over zorg en onderwijs – terug naar de menselijke maat, dokters en docenten weer de baas – kwamen rechtstreeks uit linkse verkiezingsprogramma’s, maar niemand die het doorhad. Zijn programmatische voorstellen op deze terreinen kregen zelfs grote instemming in het rechtse bolwerk bij uitstek, de ontbijtshow voor ondernemers van Harry Mens. Maar scoren deed hij natuurlijk voor 95 procent met zijn immigratie- en migrantenstandpunt, dat ironisch genoeg een gevoelige snaar raakte bij de kansarmen waarvoor links altijd placht op te komen. Maar die kwam voor de nog kansarmere migrant op, behalve voor de dissidente vluchtelingen uit landen met totalitaire regimes als Iran en Algerije. Deze intellectuelen ‘verziekten’ het namelijk voor hun broeders en zusters, door de islamitische regeringen in deze landen sterk te veroordelen. In de ogen van links was dat natuurlijk contraproductieve stemmingmakerij, die de angst voor moslims – en dus de haat – onder autochtonen alleen maar zou aanwakkeren. Hier is een opmerkelijke parallel te trekken met de jaren zeventig, toen Sovjet-dissidenten werden gediskwalificeerd vanwege hun vlucht naar het kapitalisme, terwijl hun aanklacht tegen de socialistische onderdrukking als rechtse propaganda werd afgedaan. Na de val van de muur is er voor rechts nauwelijks reden om zich te verkneukelen aan het ongelijk van links, want de meeste Oostblokbewoners belandden – dankzij het kapitalisme – van de regen in de drup. De nostalgie naar het communisme is groter dan ooit; nergens leveren de begrippen links en rechts zo veel verwarring op als in de voormalige DDR.
Nu het regeerakkoord bekend is, is er overigens weinig overgebleven van Fortuijns merkwaardige mengelmoes van rechtse en linkse ideeën. Pim zou dat vast niet zo hebben gewild, om dé dooddoener van 2002 maar eens te parafraseren. De scheidslijnen tussen links en rechts zijn opeens weer glashelder getrokken. Links staat voor gelijkheid, maar zonder de eerlijkheid die hoort bij het erkennen van verschillen – de grote fout die links voor jaren naar de oppositiebanken verwees. Rechts is weer ieder voor zich, het grote graaien ten koste van kansarmen en het nageslacht. Dit ouderwetse rechts krijgt nu van het meest rechtse kabinet aller tijden de kans zich de komende jaren flink uit te leven. Van de kwesties die de verkiezingen zo beheersten, is niets meer overgebleven. Maakten wij ons begin mei zulke zorgen om het ziekenfonds? Zaten we diep in de put over files en een tekort aan asfalt? Was die benzineprijs echt zo hoog? Stoorden we ons werkelijk aan de belastingvrijheid voor groene beleggingen? Wilden we hoognodig af van ons spaarloon en onze lijfrenteaftrek? Was de onroerendezaakbelasting ons een doorn in het oog? Het beoogde kabinet haalde tot nu toe alleen de pers met bijzaken, die vervolgens ook nog eens allemaal een knallend rechts principe ondersteunen: ikke, ikke, en de rest kan stikke.
Mijn verlangen naar dat niemandsland is opeens weer heel groot geworden. Het niemandland waar links en rechts, progressief en conservatief, de januskoppen zijn van hetzelfde goede denken en hetzelfde slechte denken. Daarom kon ik ook de lol inzien van de hit waarmee de Duitse metalband Rammstein het thuisland in verwarring bracht. ‘Links, zwo, drei, vier’ zong de leadzanger boven de militaristische dreun van zijn bandleden uit. En dan zeggen ze dat Duitsers geen humor hebben.
Vlak voordat ik naar de stembus ging, las ik dat Jan Marijnissen een groot liefhebber van Formule 1 is. Kijk, dat is nu een man naar mijn hart. Doordeweeks opkomen voor de rechtvaardige zaak en op de zondag genieten van de foutste der foute sporten. Die goed katholieke instelling, die getuigt van gezond relativeringsvermogen, zouden meer mensen moeten hebben. Als we op zo’n manier naar al onze problemen kijken, moet het zeker lukken om een beleid te formuleren dat goed is voor het land én voor alle mensen. Of heb ik zojuist de droom van Paars I opnieuw uitgevonden?
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.