Gearchiveerde publicaties voor

Autosportnieuws maart 2010

Mijn nieuwsberichten voor Driving-fun.com van maart 2010:

Heeft Schumi ‘t nog?

Michael Schumacher

Onbegrijpelijk: Vettelmania blijft uit

Natuurlijk was het veel te vroeg om na één race al te zeuren over de ‘saaie’ Formule 1. In Melbourne werden de twijfelaars dan ook resoluut op hun nummer gezet. En natuurlijk is het ook te vroeg om na twee races Michael Schumacher af te schrijven. Maar erg verheffend is zijn optreden desondanks nog niet. Terwijl Duitsland gewoon nóg een F1-held heeft rondrijden!

Overal ter wereld, maar vooral in Duitsland, is Michael Schumacher nog altijd het gesprek van de dag. Duitse sponsordeskundigen zeggen weleens: “In Duitsland kennen we drie sporten: voetbal, tennis en Michael Schumacher.” Toen der Michael afgelopen zomer zijn voornemen bekendmaakte om terug te keren in de Formule 1, werden de online-nieuwsberichten daarover moeiteloos de F1-pagina’s met de meeste pageviews van 2010. Tot dan toe, want toen zijn afgeblazen rentree bij Ferrari alsnog doorging bij Mercedes, klikten de Duitse fans zich helemáál suf. Sindsdien is het in menig Duitse huiskamer niet meer rustig gebleven.

Respect verdwenen

Natuurlijk hebben Duitsland en de autosport veel aan Michael Schumacher te danken. Dankzij Schumi is de Duitse betrokkenheid bij de Formule 1 groter dan ooit. Zonder Schumacher was er misschien geen nieuwe Schumacher opgestaan (Sebastian Vettel) en al helemaal geen nieuwe Vettel (Nico Hülkenberg). Zonder Schumacher waren de kijkcijfers in de jaren negentig en nul waarschijnlijk nooit zo exponentieel gestegen. Een zevenvoudig kampioen met bijna alle denkbare records in handen verdient sowieso alle mogelijke respect, welke boevenstreken hij in het verleden ook mag hebben uitgehaald.

Het wonderlijke is dat hij dat respect op de baan tot nu toe niet krijgt. We zijn nog maar twee races bezig, maar toch is er iets merkwaardigs aan de hand. Schumacher in zijn gloriedagen boezemde ontzag in. Tegenstanders gingen voor hem opzij, het was Schumacher die daar aankwam. Zelfs in 1996 en 2005, jaren waarin hij kansloos was door respectievelijk een vrachtwagen van Ferrari en belabberde banden van Bridgestone, zag iedereen hem als de baas. Schumacher was de kampioen tegen wie iedereen zijn eigen prestaties afzette. In 2005 versloeg Fernando Alonso niet Kimi Räikkönen in de strijd om de titel. Hij versloeg Schumacher.

Psychologische oorlogsvoering

Nu verklaart Nico Rosberg met een nors gezicht dat hij een hele reeks fouten maakte in zijn kwalificatieronde en heel wat sneller had kunnen zijn – terwijl Schumacher dik tevreden is over zijn (langzamere) ronde. Zulke psychologische oorlogsvoering durfden Irvine en Barrichello in het verleden niet aan. Nu pakt Lucas Di Grassi hem na een inhaalactie gewoon terug en blijft Jaime Alguersuari doodleuk tientallen ronden in de weg rijden. Niet voor niets zijn Lucas en Jaime twee jongelingen van ná het Schumacher-tijdperk. Tegelijk is er voor de jeugd geen betere held om het generatieconflict mee scherp te zetten dan de oude meester zelve.

Blijft over de vraag of Schumi het nog heeft of niet? Eén ding is zeker: hij rijdt tot nu toe niet de sterren van de hemel. Zelden tot nooit was hij langzamer dan zijn teamgenoot, maar Nico Rosberg is tot nu toe consequent sneller. Fernando Alonso moest in Melbourne ook vanuit het achterveld naar voren rijden en werd vierde. Schumacher werd tiende. Je kunt wijzen op de vierde snelste raceronde van Schumacher, maar dat was op verse banden en ruim langzamer dan Webber en Hamilton, de enige anderen die ook halverwege de race wisselden. Rosberg reed de tweede snelste raceronde. Op oude banden. Je kunt ook poneren dat de W01 geen hoge topsnelheid heeft of dat de aerodynamica van de Mercedes inhalen niet makkelijk maakt. Maar dan komt het verschil met vroeger weer om de hoek kijken: in zijn ‘eerste carrière’ had hij puur op basis van respect zijn weg door het veld gebaand.

Een andere Schumacher

Nu moet hij dat respect opnieuw verdienen, want er is een andere Schumacher actief. Daar heeft hij zelf aan bijgedragen. Voor het eerst sinds jaren eiste hij niet meer de positie op van onbetwiste nummer één in het team, ook al vroeg hij nog wel of hij van de toegewezen Mercedes-startnummers 3 en 4 het eerste mocht hebben. Dat was alles wat het team hem toestond. Zelfs Ross Brawn, die het bij Ferrari jarenlang gewend was om Schumacher een voorkeursbehandeling te geven, stond erop dat Nico Rosberg gelijke kansen kreeg. Schumacher is kortom op andere voorwaarden teruggekeerd. Hij is nu ‘just one of the guys’ en vooral blij dat hij weer mag racen. De muren thuis moeten hem gek hebben gemaakt.

Intussen blijft het wonderlijk hoe Duitsland als één man achter Schumacher blijft staan, terwijl een andere Duitser zo’n duidelijke titelfavoriet is. Het lijkt op het Ferrari-effect in Italië, waar het land harder zal juichen voor weer een Ferrari-titel dan – mocht ’t ooit gebeuren – de eerste Italiaan die sinds Alberto Ascari wereldkampioen F1 wordt. Nu is Duitsland een conservatief land, ook in dit opzicht, en je zou kunnen zeggen dat zo’n groot kampioen alle steun van de natie verdient – want wat heeft Vettel in vergelijking met Schumi bereikt? Toch is het raar dat de Duitse media en de Duitse fans Vettels jonge talent links laten liggen. Moet Sebastian eerst een keer kampioen worden voordat de Vettelmania in Duitsland losbarst? Zelf probeert de gedoodverfd opvolger zich al los te weken van de erfenis van Schumacher. Want wat zei hij onlangs tegen Bild Zeitung over zijn landgenoot? “Zelfs een Schumacher kookt gewoon met water.”

Oorspronkelijk verschenen op Driving-fun.com.

Marketing killed the real touring car

WTCC Brands Hatch

Dag productieraceauto!

Race on Sunday, sell on Monday! Het befaamde huwelijk tussen autofabrikanten en de autosport berust op het idee dat de winnende auto op zondag rechtstreeks is gebaseerd op de auto waarover de gewone man op maandag in de showroom mag kwijlen. Dat geldt vooral voor de toerwagenracerij, maar ook in de sportwagen- en rallywereld. Toch komt aan dat idee in rap tempo een einde.

Heb jij vandaag de dag het idee dat je met omgebouwde straatauto’s te maken hebt als je naar een toerwagenrace kijkt? Die kans is groot als je een argeloze kijker bent die vooral op de logo’s let en niet weet wat er onder de motorkap zit. In dat geval is de marketingmissie van de autofabrikanten geslaagd.

Maar als je je nu eens géén oor wilt laten aannaaien? Wat zie je dan? De S2000-regels van de FIA, waarop het WTCC, het BTCC (Groot-Brittannië), het STCC (Zweden) en het DTC (Denemarken) zijn gebaseerd, lopen op hun einde. Steeds meer fabrieksteams lopen weg. Voor de buitenwereld geven ze als reden op dat ze moeten bezuinigen vanwege de economische crisis, maar eigenlijk zat het er al langer in. Het gelijkschakelen van fundamenteel ongelijke auto’s gaat nu eenmaal met vallen en opstaan gepaard. Zo wil BMW best aan het WTCC blijven meedoen, maar het kan zich nu eenmaal niet permitteren om vaak te worden verslagen door B-merken als Seat en Chevrolet.

Allemaal hetzelfde!

Dus hoe kun je als organisator de zeges een beetje gelijk verdelen en tegelijk de races zo spannend mogelijk maken? Door iedereen te verplichten van hetzelfde materiaal gebruik te maken. Het voorbeeld wordt al jaren gegeven door het DTM (carbonchassis) en NASCAR (buizenframes). Om die chassis bouwen fabrikanten een silhouette van een ‘Mercedes’, ‘Audi’, ‘Chevrolet’, ‘Pontiac’, ‘Dodge’ of ‘Toyota’. Met een straatauto heeft dat weinig meer te maken, want staat er soms een Audi A4 of Toyota Camry met achterwielaandrijving bij de dealer te koop? (Was ‘t maar waar.)

Steeds vaker is er zelfs sprake van een standaardmotor. Zo kennen het toerwagenkampioenschap van Argentinië en het stock-car-kampioenschap van Brazilië niet alleen auto’s met buizenframes, maar ook één motorleverancier. In het geboorteland van Máxima en Fangio is dat bijvoorbeeld Berta, een vermaard lokaal tuningbedrijf. Aan de Honda’s en Renaults die in dat kampioenschap racen, zit nog maar héél weinig Honda en Renault, behalve wat stickers en een marketingbudget. Hoezo ‘toerwagen’? Hoezo ‘stock car’?

Is dat typisch Zuid-Amerika en moeten ze daar maar doen wat ze leuk vinden? Nee, want het WTCC bereidt nu ook de komst van een standaardmotor voor. De ‘Next Generation Touring Car’ van het BTCC, die in 2011 z’n opwachting maakt, krijgt al evenzeer zo’n standaardmotor. Het WRC is voor zijn rallyauto’s ook al bezig met de introductie van een ‘spec engine’.

Op dezelfde manier is de GT-wereld zijn puurheid aan het verliezen. De nieuwe FIA-categorieën GT3 en GT4 kenden al een performance balance. Daarin worden snellere auto’s gestraft met extra ballast of een extra restrictie van de luchtinlaat. Het vernieuwde GT1-kampioenschap vindt vanaf dit jaar ook plaats op basis van zo’n performance balance. De beste coureursduo’s winnen dus deze kampioenschappen en niet langer de beste auto.

Niemand wil meer verliezen

Waar het allemaal goed voor is? In dit marketingtijdperk wil niemand meer verliezen. Het moet er spectaculair uitzien op televisie. Al te vrije regelgeving jaagt bovendien de kosten op. Want wie verliest, gaat meer geld uitgeven om te winnen – waarna al snel blijkt dat je met geld niet alles kunt kopen. Verliezende fabrikanten haken massaal af en we kunnen het doodvonnis tekenen van alweer een kampioenschap – zie in het recente verleden de voortijdige dood van kostbare kampioenschappen als FIA GT1 (de eerste editie) en ITC (de internationale DTM-variant). En dat is weer niet goed voor de belegde boterham van alle raceteams die namens de fabrikanten het vuile werk opknappen. Een fabrikant heeft immers makkelijk praten; die leeft niet van de sport.

In sportief opzicht kent het toerwagenracen al langere tijd trucs om de spanning erin te houden, van strafgewichten tot omgekeerde startopstellingen. Samen met de gelijkschakeling in de onderliggende techniek zorgt dat ervoor dat het veld dicht bij elkaar blijft. En toegegeven: het toerwagenracen van vroeger bestond vaak uit een onoverzichtelijke klassenstrijd. Dat was de ‘pure’ oplossing: verschillende auto’s in verschillende klassen. De algemene kampioen werd de auto die relatief het best presteerde in zijn klasse. Eerlijk, maar moeilijk te volgen voor het grote publiek dat nu massaal voor de buis zit.

Daarom gaan we nu steeds meer toe naar onderhuids identieke auto’s die voor ‘BMW’, ‘Mercedes’ en ‘Volvo‘ een fraaie show opvoeren. Kortom, als marketingtool zal het toerwagenracen nog wel een tijd springlevend zijn. Als leverancier van je zondagse portie deurklinkracen zullen de toerwagens ook in de toekomst niet teleurstellen. Maar het idee dat je op maandag ‘de beste auto’ bij de dealer ophaalt omdat z’n grote broer gisteren een race heeft gewonnen? Ook al willen de marketingafdelingen je dat graag laten geloven, er is binnenkort niets meer van waar.

Geniet voorlopig dus maar hier van:

Foto: StewC (Andy Priaulx, WTCC 2007, Brands Hatch)

Oorspronkelijk verschenen op Driving-fun.com.

De volgende stap

In opdracht van de Algemene Bestuursdienst, het management-developmentbureau van de Rijksoverheid, maakte ik met toenmalige collega’s Onno Jager en Jeroen Bruintjes en in samenwerking met VormVijf een grootscheepse HRM-productie. De brochure De volgende stap, Loopbaanperspectieven bij de Rijksoverheid laat ambtenaren uit de hogere echelons zien welke carrièremogelijkheden het Rijk allemaal biedt. Dat gebeurt aan de hand van gesprekken met tien rijksambtenaren, van jonge talenten tot directeuren, die aan de hand van een thema vertellen over de stappen in hun carrière en de keuzes die zij daarin hebben gemaakt. Met behulp van een invulschema kunnen ambtenaren dezelfde vragen beantwoorden die wij aan de geïnterviewden stelden, en zo de volgende stap in hun carrière zetten.

Voor Jager & Neyndorff, in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Laat de F1 met rust

Over regelveranderingen, spanning en kijkcijfers

De krankzinnigste stoelendans aller tijden, acht titelkandidaten in vier teams, nieuwe regels die het allemaal veel spannender zouden maken. Zelden werd er zo uitgekeken naar de start van een nieuw F1-seizoen. Dus toen de GP van Bahrein een optocht werd zoals zo vaak vertoond in de F1, kon je erop wachten: de teleurgestelde commentaren.

Die commentaren werden bovendien niet zelden gevolgd door een waslijst aan voorstellen die natuurlijk wél zouden helpen, het ene idee nog idioter dan het andere. Niet alleen fans maakten zich daar schuldig aan, ook kenners. Zo stelde een gerespecteerd journalist van een toonaangevende autosportsite dat het idee van Bernie Ecclestone toch maar eens serieus moest worden genomen. Het idee om op een paar plaatsen op de baan afsnijden mogelijk te maken. Mag ik voorstellen dat mijn gewaardeerde collega rijp is voor het gesticht?

Wat er vooral uit de commentaren kwam bovendrijven: dit was écht de laatste keer dat ik heb gekeken! Vroeger was F1 nog spannend, het wordt elke keer maar saaier! En kunnen die tankstops alsjeblieft niet terug? Daar denk ik zo het mijne van. Ten eerste: de volgende keer zit je toch weer stiekem te kijken. Ten tweede: vroeger was het helemaal niet spannender. Ten derde: diezelfde tankstops werden kort geleden nog veroordeeld omdat ze op de baan ‘afwachtend gedrag’ creëerden.

Want hoe zag F1 er ‘vroeger’ eigenlijk uit? Toen alles blijkbaar beter was? Tientallen jaren geleden, toen mannen nog echte mannen waren, waren er geen bandenwissels en werd er niet bijgetankt. Je had gewoon een race van startvlag tot finishvlag. Die werd meestal gewonnen door Fangio, Moss, Clark of Stewart, kampioenen die mijlenver vooruit op de concurrentie reden zolang ze geen pech kregen. Ook in de turbojaren en zelfs in de jaren negentig en het begin van deze eeuw was het meer dan eens één team dat de toon aangaf.

Saai? Jazeker. Zet racefans van nu voor een integrale uitzending van een gemiddelde race van toen en ze vallen net zo goed in slaap. Zelfs die glorieuze Grand Prix van Frankrijk van 1979, beroemd om het zo vaak verheerlijkte slotduel tussen Villeneuve en Arnoux, was tot aan die laatste paar ronden een weinig verheffend schouwspel. Maar ja, dat deel zie je zelden terug op YouTube.

En hoe ziet F1 er nu uit? Nu het einde der tijden blijkbaar nabij is? Je loopt nog steeds een groot risico op een optocht van start tot finish. Wat leren we daaruit? Spanning is niet opzettelijk te veroorzaken, behalve als je kiest voor écht kunstmatige ingrepen als een full-course yellow bij een stofje op de baan, zoals bij NASCAR en de Indycars.

Veel regelveranderingen van de afgelopen jaren zijn bedacht om meer spanning te creëren. Het unieke karakter van de F1 is er voor een deel door verloren gegaan, want het reglement staat nauwelijks nog enige eigen creativiteit toe. Let wel, sommige veranderingen hebben daadwerkelijk geholpen, het veld zit de laatste jaren dichter op elkaar dan ooit tevoren. Maar dat is kennelijk voor het grote publiek nog steeds niet genoeg. Eén saaie race en de roep om ingrijpen klinkt alweer.

Is dat erg? Is ‘spanning’ eigenlijk wel zo’n noodzakelijke voorwaarde voor een sport? Of moet je zulke eisen eerder stellen aan tv-entertainment? Stellen we dezelfde eisen aan voetbal, waar toeschouwers met grote regelmaat van de klok worden getrakteerd op een saaie 0-0-pingel? Stellen we dezelfde eisen aan het wielrennen, waarin een stel kerels urenlang achter elkaar aan fietst, schijnbaar op niets af? Voor zover ik weet, zijn de regels van het voetbal en de wielrensport in de afgelopen decennia niet noemenswaardig aangepast. Terecht. Sport heeft het recht om saai te zijn. Een kampioen heeft het recht om elke spanning met groot vertoon van macht de kop in te drukken.

En dáár zit wel een groot verschil met vroeger. F1 is inderdaad niet meer de sport van toen, maar dat ligt niet aan het gebrek aan spanning. Het ligt aan het feit dat de sport ontoegankelijk is geworden. Dat klinkt misschien als een paradox, nu elke Grand Prix met tachtig camera’s wordt geregistreerd en ellenlange voor- en nabeschouwingen op tv kent. Maar hoe volg je tegenwoordig een GP als je erbij bent? Vanaf een tribune op 500 meter afstand van de baan, met een verrekijker voor je hoofd. Als je vandaag de dag vlak langs de baan wilt staan, moet je een maandsalaris neertellen of een perskaart hebben.

Vroeger – toen alles beter was – was dat precies andersom. Met een beetje geluk zag je een paar hoogtepunten van de race op televisie of in het bioscoopjournaal, voor de rest deed je ’t met een éénkolomsberichtje in de krant van maandag. Maar de dag ervoor was je naar je thuis-Grand Prix geweest. Voor een appel en een ei. In de paddock – een grasveldje naast de pitstraat – fotografeerde je de sterren, je vroeg ze om een handtekening, ze gingen soms zelfs een gesprekje met je aan. Tijdens de race ging je ergens langs de baan zitten. Je genoot van het geluid, je voelde de sensatie van snelheid. Als je geen lapchart bijhield, had je geen idee van de spanning in de race. Maar wat gaf ‘t, je zag de groten in de sport van dichtbij aan het werk.

Daarom gaan mensen naar het stadion en hebben ze het ervoor over om aan de kant van de weg te zitten, ergens op de klim naar l’Alpe d’Huez. Zoef, daar gingen ze, je favorieten. Eén keer zag je ze, toen was ’t alweer afgelopen. Als racefan mag je blij zijn dat ze in de Formule 1 in rondjes rijden.

Het geklaag is een fenomeen van deze tijd. We klagen ook over de politiek die niet vandaag op morgen al onze problemen oplost. En net als politici staan de autosportbonzen niet meer voor hun overtuiging, maar willen ze ‘luisteren’ naar de burger, naar de fan. Luisteren doen ze ook in de marketing, met marktonderzoeken, focusgroepen en gebruikerspanels. We lijden aan de ziekte van de vrije markt, waarin we allemaal consumenten zijn die op hun wenken willen worden bediend.

De verregaande commercialisering heeft de afgelopen twintig jaar het avontuur uit de F1 gehaald: het grote publiek wil spanning en die bereik je alleen door consequent de verschillen weg te halen. ‘Bevroren’ motoren, in prestaties op elkaar afgestemd, standaard-ECU’s, één bandenleverancier, auto’s die alleen door hun sponsorkleuren van elkaar te onderscheiden zijn, circuits van één ontwerper, kortom, hapklare brokken voor de massa. De vrije jongens zijn er door de ‘vrije’ markt vakkundig uitgewerkt, zo is de wrange constatering.

Waar ‘spanning’ staat, moeten we eigenlijk ‘kijkcijfers’ lezen. Zonder tv-inkomsten kan de sport niet meer bestaan. Televisie houdt de F1 in een houdgreep, en de duizenden mensen die er tegenwoordig van leven. De sport kan evenmin bestaan zonder de miljoenen die raceorganisatoren tegenwoordig betalen om een Grand Prix überhaupt te mógen organiseren. Daardoor verdwijnen races naar verre landen waar nauwelijks iemand woont die een toegangskaartje kan betalen, behalve de vips die massaal naar deze oorden worden ingevlogen. Kaartjes voor de overgebleven Europese races zijn alleen nog betaalbaar voor de sponsors en hun corporate guests.

Intussen zijn de voorvleugels en achtervleugels te belangrijk als commerciële uithangborden om ze af te schaffen. Terwijl het rigoureus afrekenen met de aerodynamica de enige manier is om het zo vurig gewenste inhalen echt meer mogelijk te maken.

De geesten van de commercialisering en de aerodynamica krijgen we waarschijnlijk nooit meer terug in de fles, maar één ding kunnen we wel doen. Afkicken van onze verslaving aan spanning en de sport gewoon even met rust laten. Over een tijdje gaat het vast wel een keer regenen of vallen de kaarten in een Grand Prix toevallig zo dat het weer spannend wordt. We herinneren ons heel goed de juweeltjes uit het verre verleden, maar laten we ophouden met het collectief vergeten van de pareltjes uit het veel recentere verleden. Die komen vanzelf weer, met welke regels we ook te maken hebben.

Nu vanuit een reflex roepen om nog meer kunstmatigheid is de dood in de pot. Datzelfde grote publiek dat zo om spanning vraagt, trapt er op een gegeven moment niet meer in. Dat reageert dan op dezelfde manier als mijn 11-jarige zoon afgelopen zondag, toen ik hem uitlegde dat de beste tien uit de kwalificatie moeten starten op de banden waarmee ze zich gekwalificeerd hebben: ‘Maar dat is toch niet eerlijk?’ Inderdaad, dat is niet eerlijk en eigenlijk is dat al erg genoeg. We hebben ’t hier over autosport, niet over WWF-wrestling op wielen.

Oorspronkelijk verschenen op Driving-fun.com.

De mooiste school van Nederland staat op Zuid

Door mijn werk voor maatschappelijk adviesbureau Septool werd ik gevraagd om mee te helpen met de inschrijving van woningcorporatie Vestia voor de Gouden Piramide. Deze prestigieuze overheidsprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap staat dit jaar in het teken van architectuur. Vestia Rotterdam Zuid dingt mee naar de prijs als initiatiefnemer van de brede school De Wereld op Zuid in Rotterdam-Zuidwijk. Deze school is een lichtend voorbeeld geworden voor de vele brede scholen die nu in Nederland verrijzen, mede dankzij het pionierswerk van Vestia. Na gesprekken met Vestia, de architect en de procesmanager van Septool schreef ik het artikel dat deel uitmaakt van de inschrijving, maar ook de begeleidende teksten bij het visuele gedeelte van de inzending.

Voor Jager & Neyndorff, in opdracht van Septool en Vestia.



© mattijsdiepraam.nl 2012

RSS. Deze Wordpress-site maakt gebruik van het thema Modern Clix, ontworpen door Rodrigo Galindez. Nederlandse vertaling: mattijsdiepraam.nl