De taal die we nu spreken, is the fittest in de huidige omstandigheden. Zoals soorten zich aanpassen aan hun omgeving, zo verandert taal mee met de wereld waarin we leven. Geen schoolmeester die dat kan tegenhouden. De natuur is sterker dan elk opgeheven vingertje.
Op 26 maart jl. hield de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam een mastercourse over de verandering – of zoals sommigen zouden zeggen – verloedering van het Nederlands. Het publiek voor deze postdocdag bestond voornamelijk uit leraren Nederlands, maar een verdwaalde letterkundige die de kost verdient als broodschrijver kon er ook terecht. Het was een nuttige dag waarin tal van feiten voorbijkwamen die gesneden koek zijn voor de gemiddelde taalkundige. De leek en de enkele armzalige letterkundige deden er echter diverse nieuwe inzichten op.
Een mooi voorbeeld van zo’n inzicht werd in gang gezet door Hans Bennis, directeur van het Meertens Instituut en bij het grotere publiek vooral bekend om zijn controversiële voorstel om de Spellingwet af te schaffen. Hij sprak over de darwinistische kenmerken van taalverandering. Om zijn idee daarover te illustreren, herhaalde Bennis eerst wat elementaire taalkunde die nogal eens over het hoofd wordt gezien. Bijvoorbeeld door de groep die ach en wee roept over bijvoorbeeld het verdwijnen van de ‘schoonheid’ van de naamvallen. Of door mensen die vinden dat sommige talen ‘moeilijker’ zijn dan andere talen. De eerste groep slaat de plank mis. De tweede groep heeft tot op zekere hoogte gelijk, maar weet waarschijnlijk niet waarom.
Synthetisch versus analytisch
Wat is er aan de hand? Daarvoor moeten we teruggrijpen op een bekend feit in de studie van taalverandering: talen die in een betrekkelijk gesloten gemeenschap worden gesproken, zijn synthetisch van aard. Dat wil zeggen dat de meeste informatie in het woord zit besloten. Door middel van voorvoegsels, achtervoegsels en naamvallen. De zinsvolgorde maakt niet zo veel uit. Talen die op reis gaan of worden gesproken in een open cultuur met veel ‘taalcontact’, zoals dat zo mooi heet, worden analytisch van structuur. Woorden blijven gelijk van vorm, de meeste informatie zit in de zin. Zinsvolgorde is dan ook essentieel.
Dat is niet zomaar. Onze kennis van tweedetaalverwerving laat zien waarom: kinderen leren taal anders dan volwassenen. Kinderen zijn meesters in verbuigingen en vervoegingen. ‘Flectiemonsters’, zoals Bennis ze noemt. Dat taalvermogen blijkt een biologische eigenschap die we grofweg vanaf ons dertiende levensjaar verliezen. Als we als volwassene een nieuwe taal leren, krijgen we die voorvoegsels en achtervoegsels niet meer onder de knie. Naamvallen horen dus bij de taal van de kinderen, hoe ‘mooi’ sommige volwassenen ze ook vinden.
Wanneer is een taal ‘ingewikkeld’, volgens volwassenen althans? Als hij een synthetische structuur kent, voortvloeiend uit een langdurig stabiele culturele situatie. Wanneer ziet een taal er in de ogen van volwassenen ‘simpel’ uit? Als hij analytisch is opgebouwd. Niet voor niets zijn pidgintalen en creolentalen – nieuw ontstane talen op een kruispunt van culturen – uiterst analytisch van opbouw. Kinderen leren elke taal overigens even goed. Voor kinderen is de ene taal niet ‘moeilijker’ dan de andere, voor volwassenen wel. Daarom heeft de eerdergenoemde tweede groep toch gelijk – zolang ze als volwassenen tenminste over zichzelf spreken.
Motor van taalverandering
Het moment waarop we een taal leren, is dus van groot belang. In een cultuur met weinig invloeden van buitenaf leren vooral kinderen de taal. Zij krijgen bij geboorte de taal van hun ouders cadeau. In een smeltkroescultuur leren ook volwassenen de taal, maar dan met ‘fouten’. Zij geven een veranderde taal aan hun kinderen door. Dat is de motor van taalverandering.
Taal evolueert kortom. En daar komt Darwin om de hoek kijken. Taalevolutie werkt volgens Bennis via dezelfde mechanismen als biologische evolutie. Op eilanden ontwikkelen soorten zich anders dan op het vasteland. Veel unieke soorten met een lang verleden zijn vooral op eilanden terug te vinden. Ze blijven daar als soort behouden omdat ze geen natuurlijke vijanden kennen. Een goed voorbeeld is de varaan op het Indonesische eiland Komodo. Hetzelfde principe neemt Bennis waar in de taal. Het IJslands kent nog steeds vijf verschillende werkwoordsuitgangen in de tegenwoordige tijd. Ter contrast noemt hij een ‘taal op reis’: het Afrikaans, een smeltkroestaal die zich in Zuid-Afrika moest ‘invechten’ tussen vele andere talen. Die taal kent allang geen vervoegingen meer.
Hoe gaat de verandering daadwerkelijk in z’n werk? Ook daar ziet Bennis een darwinistisch principe. Evolutie vindt immers plaats volgens drie stappen: variatie, selectie, reproductie. Dezelfde stappen zijn op de evolutie van taal van toepassing. De variatie zien we bij taal terug in tal van dialecten en sociolecten. Het is bovendien vrij willekeurige variatie, net als in de natuur. Uit die varianten kiezen we uiteindelijk wat werkt – op basis van wat sociaal het wenselijkst is (taal als identiteit) en wat de boodschap het beste doet overkomen (taal als communicatiemiddel). De beste variant geven we door aan onze kinderen. Zo reproduceert een taalverandering zich.
Franse dubbele ontkenning
In een andere lezing gaf Hedde Zeijlstra, taalkundige aan de Universiteit van Amsterdam, een prachtig voorbeeld van de evolutionaire manier waarop taal verandert: de opkomst van de Franse dubbele ontkenning. Ooit ontkende je in Frankrijk zo: Geo ne di (ik zeg niet). Toen ‘ne’ aan kracht verloor – een mechanisme dat ik een volgende keer zal bespreken – moesten de Fransen een tweede ontkennende vorm eraan toevoegen. Die kennen we nu als ‘pas’: Je ne dis pas. Waarom ‘pas’? Dat woord betekent letterlijk ‘stap’. ‘Pas’ kwam oorspronkelijk alleen voor in benadrukte ontkenningen van beweging. Vrij vertaald: ik loop niet, sterker nog, ik zet geen stap meer! Voor ontkenningen in het verband van de menselijke communicatie bestond de variant ‘pointe’: ik zeg niks, zelfs geen punt. Voor eten hadden de Fransen ‘mie’ en ‘goutte’. Letterlijk: ik eet niet, zelfs geen kruimel. Ik drink niet, zelfs geen slok. En zo waren er nog veel meer vormen aan het begin van deze taalverandering. Uit de oorspronkelijke variatie selecteerden de middeleeuwse Fransen uiteindelijk ‘pas’ als de beste oplossing. Die werd vervolgens gereproduceerd door volgende generaties. Darwin op heterdaad betrapt in de taal.
Wat kunnen we nog meer concluderen uit de elegante darwinistische analogie van Bennis? Dat taalverandering onontkoombaar is. Het is immers een natuurlijk fenomeen. Met andere woorden: hoe graag de schoolmeesters het ook zouden willen, hun opgeheven vingertje werkt niet. De taal gaat altijd haar eigen gang. Net zoals de wereld om ons heen nooit hetzelfde blijft.
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.