Gearchiveerde publicaties voor taalverandering

Hoe hoog is jouw taaltolerantie?

Je kunt er de klok op gelijk zetten, vooral in de diverse internetdiscussiegroepen over taal: mensen die verontwaardigd in de pen klimmen vanwege een abject taalverschijnsel dat ze kort geleden hebben gesignaleerd en sindsdien ‘alarmerend’ in omvang hebben zien toenemen. Zijn deze poortwachters de scherpe waarnemers van taalverandering in haar volle, niet te stuiten werking? Leggen ze de vinger op de zere plek van grillige taalmodes? Of is er iets anders aan de hand?

Waar je niet op let, valt je ook niet op. Je kent ’t wel: nooit eerder zag je een vrachtwagen van vervoerbedrijf X rijden. Je wist niet eens af van het bestaan van X. Totdat je op een verjaardag kennismaakt met een chauffeur, marketeer of directeur van X (afhankelijk van het soort feestjes dat je frequenteert) en een leuk gesprek hebt over het wel en wee in de transportbranche. In de weken daarna passeer je op de snelweg opeens de ene na de andere vrachtwagen van het bedrijf.

In zo’n geval besef je na een tijdje dat bedrijf X allang bestond. En als je ’t al niet heimelijk wist, dan heeft je gesprekspartner van het verjaardagsfeestje je wel verteld dat X zojuist zijn 35-jarig bestaan heeft gevierd. Dat je plotseling overal de naam X ziet opduiken, ligt duidelijk aan jezelf. Je bent er gevoelig voor geworden. Lees verder…

Het nut van een standaardtaal

In de afgelopen eeuwen is onze taal van twee kanten spontaan veranderd tot het Nederlands dat we nu spreken – door de straat en door de literatuur. Maar een standaardtaal hebben we nog niet zo lang. Het bezit ervan is de aanleiding tot een reeks twisten tussen preciezen en rekkelijken die waarschijnlijk nooit meer ophoudt. De eerste groep, waarin cultuurpessimisten oververtegenwoordigd zijn, wil het Nederlands behoeden voor nog meer verandering of – in hun termen – verloedering. De tweede groep, waarin vrijzinnige cultuuridealisten de boventoon voeren, wil het liefst morgen nog alle regels afschaffen.

Maar waarom hebben we eigenlijk een standaardtaal? Wat is het nut ervan? Drukt hij, zoals zo vaak wordt beweerd, dialecten weg? Is het een voedingsbodem voor discriminatie of biedt hij juist emancipatiekansen? Ook daar zijn de meningen over verdeeld.

In Frankrijk, waar een sterk nationalistisch sentiment heerst, is te zien dat de standaardtaal de taalverandering wel degelijk afremt. Tegenhouden lukt evenwel niet, daarvoor is de taal te veel een natuurfenomeen met een sterke eigen wil – zie mijn eerdere betoog over de darwinistische aspecten van taalverandering. Ook is Frankrijk in Europa nog steeds het land met de meeste streektalen en dialecten, en niet alleen omdat het zo’n groot oppervlak heeft. Lees verder…

Taal bijt in zijn eigen staart

Taalverandering kan geen taalverloedering zijn. Elke verandering bijt namelijk na eeuwen weer in zijn eigen staart. Schoolmeesters leven alleen niet lang genoeg om het zelf mee te maken.

De vorige keer vertelde ik over mensen die het zo spijt dat we onze naamvallen zijn kwijtgeraakt. Die zijn namelijk ‘zo mooi’ in het Duits. Ook het Latijn kent zo’n ‘vormenrijkdom’, in vergelijking waarmee ons poldertaaltje schraal afsteekt. Laten we zulke nostalgici met taalnijd maar gauw uit de droom helpen: naamvallen zijn ook maar afgestompte overblijfselen van wat eens complete woorden waren.

Dat is gebeurd volgens een proces dat we grammaticalisatie noemen. Bepaalde woorden met een inhoudelijke betekenis blijken nuttig te zijn om een grammaticale functie (beter) mee uit te drukken. Inhoudswoorden worden functiewoorden. Of: functiewoorden met nog een béétje inhoud worden totale functiewoorden. Of zelfs geen woorden meer, maar voor- of achtervoegsels. De uitdrukking ’t en zij (‘ware het niet’) werd het voegwoord tenzij. Het bijvoeglijk naamwoord rond (zoals in ‘het ronde archief’) kan nu worden gebruikt als voorzetsel (‘rond het huis’). Het lidwoord de komt van het aanwijzend voornaamwoord die. De verledentijdsuitgang -de komt van het ooit volledig uitgesproken werkwoord deed. De Engelsen gebruiken ’t nog. Lees verder…

Hoe Darwin ten grondslag ligt aan taalverandering

De taal die we nu spreken, is the fittest in de huidige omstandigheden. Zoals soorten zich aanpassen aan hun omgeving, zo verandert taal mee met de wereld waarin we leven. Geen schoolmeester die dat kan tegenhouden. De natuur is sterker dan elk opgeheven vingertje.

Op 26 maart jl. hield de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam een mastercourse over de verandering – of zoals sommigen zouden zeggen – verloedering van het Nederlands. Het publiek voor deze postdocdag bestond voornamelijk uit leraren Nederlands, maar een verdwaalde letterkundige die de kost verdient als broodschrijver kon er ook terecht. Het was een nuttige dag waarin tal van feiten voorbijkwamen die gesneden koek zijn voor de gemiddelde taalkundige. De leek en de enkele armzalige letterkundige deden er echter diverse nieuwe inzichten op. Lees verder…

Inefficiënte taal

Taal is net als water. Althans, er is genoeg aanleiding toe om dat te denken. Net als water zoekt taal altijd het laagste punt op. Als het simpel kan, dan doen we dat als taalgebruikers ook.

Als we spreken, slikken we klanken in bij de vleet of we schuiven ermee om het onszelf gemakkelijker te maken. We assimileren: een banneling werd een balling, inport werd import. We syncoperen: een lade werd een la, een slede werd een slee. We metanalyseren: een nadder werd een adder, een nonkel werd een onkel. We passen metathese toe: niet-christenen werden gekerstend, een wesp wordt soms een weps. En vaak, heel vaak, verliezen we ons in haplologieën, de kunst van het weglaten van gelijk beginnende lettergrepen. Onze minister-president doet het voortdurend: op ’n gevement.

In schrift korten we al even vaak af, zeker in deze snelle tijden van twitter en sms. Heel efficiënt natuurlijk. Net als water zoeken we de eenvoudigste weg, die ons nog nét in staat stelt met anderen te communiceren.

Daarom wekt het verwondering dat je soms taalveranderingen signaleert die inefficiënt zijn, maar toch voet aan de grond krijgen. Lees verder…

Taalverandering: top-down of bottom-up?

Misschien een beetje vreemd voor een bureau dat geschreven taal als product levert, maar deze column begin ik met spreektaal. Want is het u ook opgevallen dat u sprekers steeds vaker de klemtóón verkeerd hoort leggen? Klemtóón is in dit geval trouwens een verkeerd voorbeeld, want het gaat vaak om klemtonen die eigenlijk op de laatste of voorlaatste lettergreep gelegd dienen te worden, maar nu op de eerste lettergreep vallen. Opeens zijn het geen finan-cië-le verplichtingen, maar fi-nanciële verplichtingen. Een partij heeft geen sociáál gezicht meer, maar een sóciaal gezicht. Toegegeven, omgekeerd kan het ook. De afgelopen week stond namelijk de kinder-op-vang in de belangstelling, terwijl ik toch altijd dacht dat het om kin-deropvang ging.

Het zijn ook niet zomaar sprekers. De klemtoonverwisselaars komen uit de kringen van politiek en media. Het balletje hebben ze elkaar bij wijze van spreken naar elkaar toegerold. De gewoonte hebben ze elkaar aangepraat. Het is de klemtoon der gezagsdragers en opiniemakers, het sprekend bewijs dat de macht en de controle op de macht twee kanten van dezelfde medaille zijn. Het zijn Balkenende en Netwerk, Verhagen en Nova. In feite zijn de klemtoonverwisselingen markers van status. De gebruikers ervan laten door hun klemtoonverandering elkaar en het publiek weten dat zij tot de incrowd behoren. Het gebeurt op een onbewuste manier, net zoals gebruikers en gebruiksters van het Poldernederlands elkaar zonder het in de gaten te hebben codes toesturen die verborgen liggen in de verzakking van hun klinkerspectrum. Lees verder…

Help, het voorzetselvoorwerp verzuipt!

Is dit het tijdperk van het beeld – en dus, als we het over televisie hebben, het gesproken woord? Misschien, maar het staat evenzeer vast dat de regels van de geschreven taal steeds steviger in het zadel komen te zitten. De recente ophef over de Vlaamse wens tot herroeping van de spellingsherziening van 1995 is slechts een bokkensprongetje in de algemene acceptatie van het moderne geschreven Nederlands.

Wat een contrast met vroeger eeuwen: de middelnederlandse geletterden dienden zich nauwelijks te conformeren aan algemeen geldende regels van taal, stijl en spelling – met een hoogst curieuze en vermakelijke variatie in taalgebruik tot gevolg. Pas in de 17e eeuw kwam de rationalisatiedrift pas goed los, met kunstmatige vondsten als ‘hen’ en ‘groter dan’ tot gevolg. Dit strak trekken van de grammatica heeft tot op de dag van vandaag steeds rigidere vormen aangenomen. Alle geweeklaag over taalverloedering ten spijt wordt heel Nederlands sprekend Nederland heden ten dage door kranten, tijdschriften en websites gebombardeerd met identieke woordbeelden en correcte zinsbouw. De zonden tegen de regels springen er alleen maar extra door in het oog. Gelukkig zijn daar de Groene Boekjes, stijlboeken en webadviezen (ja, wij doen er zelf aan mee) die de dwalenden weer terugsturen op het kaarsrechte pad van de geschreven taal. Lees verder…



© mattijsdiepraam.nl 2012

RSS. Deze Wordpress-site maakt gebruik van het thema Modern Clix, ontworpen door Rodrigo Galindez. Nederlandse vertaling: mattijsdiepraam.nl