Over regelveranderingen, spanning en kijkcijfers
De krankzinnigste stoelendans aller tijden, acht titelkandidaten in vier teams, nieuwe regels die het allemaal veel spannender zouden maken. Zelden werd er zo uitgekeken naar de start van een nieuw F1-seizoen. Dus toen de GP van Bahrein een optocht werd zoals zo vaak vertoond in de F1, kon je erop wachten: de teleurgestelde commentaren.
Die commentaren werden bovendien niet zelden gevolgd door een waslijst aan voorstellen die natuurlijk wél zouden helpen, het ene idee nog idioter dan het andere. Niet alleen fans maakten zich daar schuldig aan, ook kenners. Zo stelde een gerespecteerd journalist van een toonaangevende autosportsite dat het idee van Bernie Ecclestone toch maar eens serieus moest worden genomen. Het idee om op een paar plaatsen op de baan afsnijden mogelijk te maken. Mag ik voorstellen dat mijn gewaardeerde collega rijp is voor het gesticht?
Wat er vooral uit de commentaren kwam bovendrijven: dit was écht de laatste keer dat ik heb gekeken! Vroeger was F1 nog spannend, het wordt elke keer maar saaier! En kunnen die tankstops alsjeblieft niet terug? Daar denk ik zo het mijne van. Ten eerste: de volgende keer zit je toch weer stiekem te kijken. Ten tweede: vroeger was het helemaal niet spannender. Ten derde: diezelfde tankstops werden kort geleden nog veroordeeld omdat ze op de baan ‘afwachtend gedrag’ creëerden.
Want hoe zag F1 er ‘vroeger’ eigenlijk uit? Toen alles blijkbaar beter was? Tientallen jaren geleden, toen mannen nog echte mannen waren, waren er geen bandenwissels en werd er niet bijgetankt. Je had gewoon een race van startvlag tot finishvlag. Die werd meestal gewonnen door Fangio, Moss, Clark of Stewart, kampioenen die mijlenver vooruit op de concurrentie reden zolang ze geen pech kregen. Ook in de turbojaren en zelfs in de jaren negentig en het begin van deze eeuw was het meer dan eens één team dat de toon aangaf.
Saai? Jazeker. Zet racefans van nu voor een integrale uitzending van een gemiddelde race van toen en ze vallen net zo goed in slaap. Zelfs die glorieuze Grand Prix van Frankrijk van 1979, beroemd om het zo vaak verheerlijkte slotduel tussen Villeneuve en Arnoux, was tot aan die laatste paar ronden een weinig verheffend schouwspel. Maar ja, dat deel zie je zelden terug op YouTube.
En hoe ziet F1 er nu uit? Nu het einde der tijden blijkbaar nabij is? Je loopt nog steeds een groot risico op een optocht van start tot finish. Wat leren we daaruit? Spanning is niet opzettelijk te veroorzaken, behalve als je kiest voor écht kunstmatige ingrepen als een full-course yellow bij een stofje op de baan, zoals bij NASCAR en de Indycars.
Veel regelveranderingen van de afgelopen jaren zijn bedacht om meer spanning te creëren. Het unieke karakter van de F1 is er voor een deel door verloren gegaan, want het reglement staat nauwelijks nog enige eigen creativiteit toe. Let wel, sommige veranderingen hebben daadwerkelijk geholpen, het veld zit de laatste jaren dichter op elkaar dan ooit tevoren. Maar dat is kennelijk voor het grote publiek nog steeds niet genoeg. Eén saaie race en de roep om ingrijpen klinkt alweer.
Is dat erg? Is ‘spanning’ eigenlijk wel zo’n noodzakelijke voorwaarde voor een sport? Of moet je zulke eisen eerder stellen aan tv-entertainment? Stellen we dezelfde eisen aan voetbal, waar toeschouwers met grote regelmaat van de klok worden getrakteerd op een saaie 0-0-pingel? Stellen we dezelfde eisen aan het wielrennen, waarin een stel kerels urenlang achter elkaar aan fietst, schijnbaar op niets af? Voor zover ik weet, zijn de regels van het voetbal en de wielrensport in de afgelopen decennia niet noemenswaardig aangepast. Terecht. Sport heeft het recht om saai te zijn. Een kampioen heeft het recht om elke spanning met groot vertoon van macht de kop in te drukken.
En dáár zit wel een groot verschil met vroeger. F1 is inderdaad niet meer de sport van toen, maar dat ligt niet aan het gebrek aan spanning. Het ligt aan het feit dat de sport ontoegankelijk is geworden. Dat klinkt misschien als een paradox, nu elke Grand Prix met tachtig camera’s wordt geregistreerd en ellenlange voor- en nabeschouwingen op tv kent. Maar hoe volg je tegenwoordig een GP als je erbij bent? Vanaf een tribune op 500 meter afstand van de baan, met een verrekijker voor je hoofd. Als je vandaag de dag vlak langs de baan wilt staan, moet je een maandsalaris neertellen of een perskaart hebben.
Vroeger – toen alles beter was – was dat precies andersom. Met een beetje geluk zag je een paar hoogtepunten van de race op televisie of in het bioscoopjournaal, voor de rest deed je ’t met een éénkolomsberichtje in de krant van maandag. Maar de dag ervoor was je naar je thuis-Grand Prix geweest. Voor een appel en een ei. In de paddock – een grasveldje naast de pitstraat – fotografeerde je de sterren, je vroeg ze om een handtekening, ze gingen soms zelfs een gesprekje met je aan. Tijdens de race ging je ergens langs de baan zitten. Je genoot van het geluid, je voelde de sensatie van snelheid. Als je geen lapchart bijhield, had je geen idee van de spanning in de race. Maar wat gaf ‘t, je zag de groten in de sport van dichtbij aan het werk.
Daarom gaan mensen naar het stadion en hebben ze het ervoor over om aan de kant van de weg te zitten, ergens op de klim naar l’Alpe d’Huez. Zoef, daar gingen ze, je favorieten. Eén keer zag je ze, toen was ’t alweer afgelopen. Als racefan mag je blij zijn dat ze in de Formule 1 in rondjes rijden.
Het geklaag is een fenomeen van deze tijd. We klagen ook over de politiek die niet vandaag op morgen al onze problemen oplost. En net als politici staan de autosportbonzen niet meer voor hun overtuiging, maar willen ze ‘luisteren’ naar de burger, naar de fan. Luisteren doen ze ook in de marketing, met marktonderzoeken, focusgroepen en gebruikerspanels. We lijden aan de ziekte van de vrije markt, waarin we allemaal consumenten zijn die op hun wenken willen worden bediend.
De verregaande commercialisering heeft de afgelopen twintig jaar het avontuur uit de F1 gehaald: het grote publiek wil spanning en die bereik je alleen door consequent de verschillen weg te halen. ‘Bevroren’ motoren, in prestaties op elkaar afgestemd, standaard-ECU’s, één bandenleverancier, auto’s die alleen door hun sponsorkleuren van elkaar te onderscheiden zijn, circuits van één ontwerper, kortom, hapklare brokken voor de massa. De vrije jongens zijn er door de ‘vrije’ markt vakkundig uitgewerkt, zo is de wrange constatering.
Waar ‘spanning’ staat, moeten we eigenlijk ‘kijkcijfers’ lezen. Zonder tv-inkomsten kan de sport niet meer bestaan. Televisie houdt de F1 in een houdgreep, en de duizenden mensen die er tegenwoordig van leven. De sport kan evenmin bestaan zonder de miljoenen die raceorganisatoren tegenwoordig betalen om een Grand Prix überhaupt te mógen organiseren. Daardoor verdwijnen races naar verre landen waar nauwelijks iemand woont die een toegangskaartje kan betalen, behalve de vips die massaal naar deze oorden worden ingevlogen. Kaartjes voor de overgebleven Europese races zijn alleen nog betaalbaar voor de sponsors en hun corporate guests.
Intussen zijn de voorvleugels en achtervleugels te belangrijk als commerciële uithangborden om ze af te schaffen. Terwijl het rigoureus afrekenen met de aerodynamica de enige manier is om het zo vurig gewenste inhalen echt meer mogelijk te maken.
De geesten van de commercialisering en de aerodynamica krijgen we waarschijnlijk nooit meer terug in de fles, maar één ding kunnen we wel doen. Afkicken van onze verslaving aan spanning en de sport gewoon even met rust laten. Over een tijdje gaat het vast wel een keer regenen of vallen de kaarten in een Grand Prix toevallig zo dat het weer spannend wordt. We herinneren ons heel goed de juweeltjes uit het verre verleden, maar laten we ophouden met het collectief vergeten van de pareltjes uit het veel recentere verleden. Die komen vanzelf weer, met welke regels we ook te maken hebben.
Nu vanuit een reflex roepen om nog meer kunstmatigheid is de dood in de pot. Datzelfde grote publiek dat zo om spanning vraagt, trapt er op een gegeven moment niet meer in. Dat reageert dan op dezelfde manier als mijn 11-jarige zoon afgelopen zondag, toen ik hem uitlegde dat de beste tien uit de kwalificatie moeten starten op de banden waarmee ze zich gekwalificeerd hebben: ‘Maar dat is toch niet eerlijk?’ Inderdaad, dat is niet eerlijk en eigenlijk is dat al erg genoeg. We hebben ’t hier over autosport, niet over WWF-wrestling op wielen.
Oorspronkelijk verschenen op Driving-fun.com.
