Taal bijt in zijn eigen staart

Taalverandering kan geen taalverloedering zijn. Elke verandering bijt namelijk na eeuwen weer in zijn eigen staart. Schoolmeesters leven alleen niet lang genoeg om het zelf mee te maken.

De vorige keer vertelde ik over mensen die het zo spijt dat we onze naamvallen zijn kwijtgeraakt. Die zijn namelijk ‘zo mooi’ in het Duits. Ook het Latijn kent zo’n ‘vormenrijkdom’, in vergelijking waarmee ons poldertaaltje schraal afsteekt. Laten we zulke nostalgici met taalnijd maar gauw uit de droom helpen: naamvallen zijn ook maar afgestompte overblijfselen van wat eens complete woorden waren.

Dat is gebeurd volgens een proces dat we grammaticalisatie noemen. Bepaalde woorden met een inhoudelijke betekenis blijken nuttig te zijn om een grammaticale functie (beter) mee uit te drukken. Inhoudswoorden worden functiewoorden. Of: functiewoorden met nog een béétje inhoud worden totale functiewoorden. Of zelfs geen woorden meer, maar voor- of achtervoegsels. De uitdrukking ’t en zij (‘ware het niet’) werd het voegwoord tenzij. Het bijvoeglijk naamwoord rond (zoals in ‘het ronde archief’) kan nu worden gebruikt als voorzetsel (‘rond het huis’). Het lidwoord de komt van het aanwijzend voornaamwoord die. De verledentijdsuitgang -de komt van het ooit volledig uitgesproken werkwoord deed. De Engelsen gebruiken ’t nog.

Het zijn stuk voor stuk voorbeelden die taalkundige Hedde Zeijlstra gebruikte in zijn betoog voor de UvA-mastercourse op 26 maart jl. Ik verwees er al naar in mijn vorige blogbijdrage. Toen om het darwinisme in de taal van een voorbeeld te voorzien, nu maak ik van de gelegenheid gebruik om Zeijlstra’s volledige verhaal aan de geïnteresseerde leek uit te leggen. Zijn pointe: al veranderend bijt de taal zich steeds in zijn eigen staart. Taalverandering is een cyclisch proces dat na duizend jaar weer bij hetzelfde punt uitkomt.

Het voorbeeld dat hij gebruikt, is de ontkenning. Die vindt in talen op verschillende manieren plaats: met een bijwoord vóór de persoonsvorm of juist achter de persoonsvorm. Met twee bijwoorden voor én achter de persoonsvorm. Dat bijwoord kan ook de vorm aannemen van een voor- of achtervoegsel bij het werkwoord. Vele verschillen kortom, maar feitelijk laten ze alleen maar zien in welk stadium van de veranderingscyclus een taal zich bevindt. In het Frans is die cyclus mooi te zien:

1. Geo ne di
2. Je ne di (pas)
3. Je ne dis pas
4. Je (ne) dis pas
5. Je dis pas
6. Je pas dis

Bovenaan staat de middeleeuwse vorm, geo is de oud-Franse ik-vorm (het Latijnse ego is erin te herkennen). Werd de Middelfranse ontkenning ne op een gegeven moment te zacht uitgesproken zodat er een tweede ontkenning nodig is? Nee, het werkt juist omgekeerd. De gewone manier van uitspreken wordt langzamerhand de beklemtoonde manier van uitspreken, net zoals cabaretiers steeds hardere grappen moeten maken om de lachers op hun hand te houden. Niet alleen humor is aan inflatie onderhevig, nadruk leggen in de taal ook.

Als de beklemtoonde variant de gewone variant wordt, heb je een nieuwe beklemtoonde variant nodig. De Fransen kozen het woordje pas, dat ‘stap’ betekent (en nog een boel variaties op dat thema). Het inhoudswoord ‘stap’ werd dus het functiewoord ‘niet’. De toevoeging van pas betekende in zijn beklemtoonde vorm iets als ‘zelfs geen stap meer’. Je ne marche pas (want pas hoorde in eerste instantie alleen bij werkwoorden van beweging) wil dus zoveel zeggen als ‘ik loop niet, zelfs geen stap meer’.

Hoe weten we dat dat zo is gegaan? We hebben toch geen bandopnamen uit de middeleeuwen en de renaissance? Geschreven bronnen bieden uitkomst, niet alleen voor de overgang van de ene naar de andere vorm, maar ook voor de theorie dat juist de beklemtoonde versie aan kracht verliest. Het verplichte metrum in de poëzie van vroeger biedt daar geweldige aanwijzingen voor.

In het officiële Frans is de dubbele ontkenning nog steeds verplicht, maar in de spreektaal wordt hij steeds vaker weggelaten. Het Frans bevindt zich nu dus in overgangsfase 4. Nog even en fase 5 treedt in. Dan is het wachten op de eerste sprekers die pas vóór de persoonsvorm plaatsen.

Is dat zo goed te voorspellen? Ja, want in het Nederlands zitten we al stevig in fase 5. In onze eigen taal heeft zich namelijk een vergelijkbare ontwikkeling voltrokken:

1. Oudmiddelnederlands: ic ne lope
2. Vroegmiddelnederlands: ic ne lope (niet)
3. Middelnederlands: ic en lope niet
4. 16e-eeuws Nederlands: ic (en) loop niet
5. Hedendaags Nederlands: ik loop niet

Ons ‘niet’ is van oorsprong ook een inhoudswoord. Het is een verkorting van ne iets ofwel ‘niet van een iet’, waarbij iet ‘een beetje’ betekent. Dus: ik loop niet, zelfs niet een beetje. Een beetje is trouwens ook weer een gegrammaticaliseerde bijwoorduitdrukking, want dat komt vanzelfsprekend van ‘een kleine hap’.

Hoe lang zo’n verandering duurt? De hele cyclus al gauw zo’n duizend jaar. Dat geldt niet alleen voor de ontkenning, maar voor alle vormen van grammaticalisatie. De middelste fase (fase 3), waaruit het Frans nu aan het kruipen is, duurt meestal zo’n eeuw of twee, maar in het geval van het Frans kan de verandering wat langer in beslag nemen. In het nationalistische Frankrijk, waar de standaardtaal streng wordt bewaakt, krijgt fase 3 al een tijd uitstel van executie. Maar de straat morrelt eraan, onverbiddelijk, totdat er geen houden meer aan is. Ook het Nederlands moest er immers aan geloven.

Nu gebruiken Nederlanders dankzij de taalverloedering van Vondel en Hooft alweer eeuwenlang de ontkenning met niet, die u beschouwt als het enige correcte Nederlands en die u mogelijk met hand en tand zult verdedigen. Net zoals u hun hebben misschien te vuur en te zwaard bestrijdt. Toch zal ook de huidige ontkenningsvorm weer aan inflatie onderhevig raken. Eén troost: u maakt dat zelf niet meer mee.

Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.