Back to the future
Vanaf 2013 ligt de toekomst van de Formule 1 in het verleden. Dat werd vorige week duidelijk toen Williams-teambaas Sam Michael voor het eerst een tipje van de sluier oplichtte van de besprekingen in de technische werkgroepen van de FIA. De motorenwerkgroep schijnt een voorstel voor 1.6-liter viercilinder turbo’s al in concept klaar te hebben, met een beperking van de benzinetoevoer. De aerowerkgroep overweegt een terugkeer naar ‘ground effect’: neerwaartse druk dankzij een omgekeerde vliegtuigvleugel onder de auto. Krijgen we een revival of the eighties?
De reden waarom dit nieuws juist nu naar buiten komt, is eenvoudig. De FIA-reglementen schrijven voor dat elke grootscheepse technische wijziging – en dat kun je dit gerust noemen – minimaal twee jaar van tevoren moet worden aangekondigd. Dat betekent dat als de teams in de winter van 2012-’13 hun nieuwe auto’s testklaar willen hebben, de regels voor 2013 uiterlijk 31 december 2010 zwart op wit moeten staan. De teams hebben dus nog amper vier maanden om er onderling uit te komen, voordat de FIA zelf knopen gaat doorhakken.
Bovendien is er nóg een reden waarom 2013 een keerpunt wordt. Aan het eind van 2012 loopt namelijk de Concorde-overeenkomst 2010-2012 af, het contract waarin de afspraken zijn vastgelegd tussen de FIA (als regelgever), de FOTA (namens de teams) en de FOM (de organisatie van Bernie Ecclestone, die optreedt namens CVC, de grootaandeelhouder van de commerciële rechten van de F1). Die overeenkomst is bijna belangrijker dan de F1-reglementen zelf: de partijen spreken erin af wat hun rechten en plichten zijn en vooral hoeveel iedereen aan de sport overhoudt.
Een compleet nieuw tijdperk
Kortom, in 2013 staat de Formule 1 een compleet nieuw tijdperk te wachten. Het paddock hikt al een tijd tegen de technische vernieuwing aan, maar dat het het stap (terug) naar turbomotoren met een kleine cilinderinhoud zou worden, stond al langere tijd vast. In het 3-liter-tijdperk filosofeerde men al over zescilinders van 2.2 liter, daarna ging de capaciteit stapsgewijs terug naar 2 liter en 1.8, en van zes naar vier cilinders. En nu dan 1.6. Oud-FIA-president Max Mosley was een voorstander van lichte turbomotoren, maar doordat hij en de teams elkaar de tent uitvochten, kwam er nooit iets van. Onder het kalme bewind van Jean Todt worden de knopen gelukkig een stuk sneller doorgehakt.
De keuze voor een 1.6 turbo is volkomen logisch als we kijken naar de ontwikkelingen in andere FIA-kampioenschappen. Het WTCC en WRC gaan volgend jaar beginnen met de ‘World Engine’, een gemeenschappelijk motorontwerp dat straks geldt voor de hele wereld. Iedereen kan een World Engine bouwen, als het maar gebeurt volgens de afspraken. Het voordeel is dat een leverancier de motor vervolgens in grote aantallen kwijt kan, want iedereen gebruikt ‘m. En wat is die World Engine voor een motor? Je raadt het al: een 1.6 turbo…
De stap valt samen met de trend die al langer in de autowereld gaande is. Grote atmosferische benzineslurpers maken steeds vaker plaats voor kleine zuinige motoren met een of meer turbo’s, die elektronisch kunnen worden geknepen voor een zo schoon mogelijke emissie. Bij de FIA zijn ze niet gek, vooral niet na de uittocht van Honda en Toyota en het bijna-vertrek van Renault. Een motortype dat uiterst relevant is voor de auto-industrie vergroot de kans dat fabrikanten autosport – en zelfs F1 – niet alleen zien als een marketingexercitie, maar ook als de beste testomgeving voor de nieuwste technieken.
Het hele achtergrondverhaal lezen? Kijk verder op Driving-fun.com.
