Sinds het populisme zijn weg heeft gevonden in de Nederlandse politiek, heeft het taalgebruik in Den Haag een flinke paradigmaverschuiving ondergaan. Ik doel niet op de taalverruwing die haar intrede deed in de aanloop tot de verkiezingen in mei – ik vermaak me wel met woorden als ‘pleefiguur’. De strenge handhaving van ‘normen en waarden’ lijken mij in het debat juist ongewenst. Iedereen die op een gladde wc-bril gaat zitten, glijdt vanzelf wel met de billen op de koude tegelvloer. De zelfcorrectie zit in het democratische debat ingebakken.
Saillant is trouwens dat de roep om een herstel van ‘normen en waarden’ het hardst klinkt bij de volksvertegenwoordigers wier achterban er alles aan doet om politieke tegenstrevers (tegenwoordig ook wel ‘tegenstanders’ of ‘vijanden’ genoemd) de mond te snoeren door middel van dreigende taal die er niet om liegt. Intussen blijdschap uitend over het feit dat eindelijk weer ‘alles kan worden gezegd’. Behalve natuurlijk als het wordt gezegd door hogepriesters van de linkse kerk, want die dienen de mond te worden gesnoerd met kogelbrieven.
Zo is er in het Nederland van 2002 wel meer dat de omschrijving ‘omgekeerde wereld’ verdient. Want waar ik me nog veel meer over verbaas, zijn de mantra’s ‘luisteren naar de mensen’ en ‘de politiek weer van de burger maken’. Deze kreten liggen blijkbaar lekker bij het verwende electoraat en dus neemt elke verliezer van mei de bezwerende formules van winnaar Fortuyn over. Echt waar, ook wij kunnen luisteren. Geloof ons, wij denken ook aan u. Ik weet niet welke bevolkingsgroepen zulke beloften voor zoete koek slikken, maar ik hap in ieder geval niet toe.
Luisteren naar de mensen? Daar zitten twee politieke denkfouten in.
Ten eerste: wie zijn de mensen? De LPF-stemmer, de zwevende kiezer, de thuisblijver? Aan de ideeën te horen die met ‘de mensen’ in verband worden gebracht, hoor ik daar in ieder geval niet bij. En als ik wil dat mijn stem wordt gehoord, dan zal Den Haag zeker niet naar mij willen luisteren. Ik maak geen deel uit van een groep, pas niet in een kiezersprofiel, hooguit in een welstandsklasse. Bovendien stem ik niet uit eigenbelang, maar om het heil der natie, om het maar eens gezwollen te zeggen.
Daarmee komen we op het tweede punt: moet een politicus wel luisteren? Hooguit naar mensen met goede ideeën. Niet naar mensen die iets vinden of voelen zonder daarover te hebben nagedacht. Een politicus moet uit eigen beweging tot een ideaalbeeld van de samenleving komen en dat te vuur en te zwaard verdedigen. Vervolgens merkt hij vanzelf wel welke ‘mensen’ zich tot dat ideaal voelen aangetrokken. Wie naar de mensen gaat luisteren om er stemmen mee te winnen, is het puur om de macht te doen. Wat voor zin heeft het om je stem harder te kunnen laten horen als je je idealen daarvoor geweld moet aandoen? Het zijn de idealen, dommerds!
Ook ik heb mij trouwens bezondigd aan particuliere definities van alom bekende begrippen. Zo meende ik in mijn studentenjaren dat ik alleen op een volksvertegenwoordiger kon stemmen indien hij een getrouwe kopie van mijzelf was. Aangezien ‘ik’ er niet bij zat, daarzo op het stemformulier, achtte ik geen enkele kandidaat-parlementariër mijn vertrouwen waard. Nu weet ik dat een volksvertegenwoordiger er niet zit ter representatie van mijzelf, maar om vanuit zijn overtuiging het volk als geheel te vertegenwoordigen. Waarmee we terugkomen op het heil der natie.
O, het volk, dat zijn dus niet de mensen.
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.