‘Dat onderscheid maken we niet meer’

Mijn zoon – hij zit in groep 6 van de basisschool – heeft een geweldige lerares. Ze heeft oog voor de verschillen tussen leerlingen en weet toch een groepssfeer te handhaven. Ze is streng, maar heeft tegelijk een knuffel in een hoek gezet die post ontvangt van leerlingen die iets niet tegen de juf durven zeggen. Ze is serieus, maar trekt bij carnaval gerust een koeienpak aan. Met uiers.

Bovendien heeft ze oor voor kinderen die graag iets meer willen leren dan het basisschoolprogramma toelaat. Mijn zoon is zo’n kind. Hij leert erg makkelijk en verveelt zich daardoor kapot op school. Los van zijn interesse in geschiedenis, aardrijkskunde en biologie is hij vooral een taalwonder. Aan het einde van groep 3 las hij al op het niveau van groep 7, inmiddels leest hij jeugd- en volwassenenboeken. Het zal geen verbazing wekken dat hij zichzelf zit op te vreten tijdens taalonderdelen als ‘leesbegeleiding’ en ‘woordpakket’.

Gelukkig krijgt hij daarvoor nu dispensatie, maar de vraag van de lerares was wat hij daarvoor in de plaats wilde doen. Een van de zaken die ik noemde, was grammatica. Omdat dit essentiële ingrediënt van het taalonderwijs tegenwoordig pas in groep 6 van start gaat, heb ik het leergierige joch vorig jaar al een beetje wegwijs gemaakt in de zinsdelen en woordsoorten.

Dus of hij zich daar dit jaar wat meer in mocht verdiepen. De klas was tenslotte dit jaar al begonnen met de grondbeginselen van de taalkundige en redekundige ontleding. Van het antwoord viel ik toch enigszins van mijn stoel. ‘Dat onderscheid maken we nu niet meer.’

Pardon? Navraag bij mijn zoon leerde dat hij inderdaad in dezelfde les de persoonsvorm en het zelfstandig naamwoord behandeld kreeg. Het viel me nog mee dat de moderne leermethodeontwikkelaars de termen niet hadden verkleuterd tot ‘doewoord’ en ‘dingwoord’, maar hoeveel goeds kan er voortkomen uit het zonder onderscheid aanbieden van de twee vormen van ontleden?

Onderscheidingsvermogen lijkt in het onderwijs sowieso een ondergeschoven kindje. In de werkstukjescultuur waart nog steeds de geest van de jaren zeventig rond; het gaat vooral om de vrije expressie van het kind. Want – en daar is het toverwoord voor het geëmancipeerde kind van tegenwoordig – het moet het vooral ‘leuk’ hebben op school.

Allemaal leuk en wel, maar elke musicus kan je vertellen dat de beste improvisaties ontstaan boven op een gedegen basis. Elke dichter moet weten wat strofen en kwatrijnen zijn voordat hij ervan kan afwijken. Elke schilder moet kennis hebben van technieken en verhoudingen om er vervolgens creatief mee om te gaan. Zo hoort het er ook op school aan toe te gaan. Vrije expressie is pas zinvol nadat er op onvrijblijvende wijze is geoefend op regels en vaste patronen. Dan gaat ’t er af en toe maar wat minder ‘leuk’ aan toe.

Onderwijs is de inzet van de komende verkiezingen – en gelukkig maar. Nu maar hopen dat het extra geld nuttig wordt besteed. Het moet in de klas terechtkomen, natuurlijk. Maar het is te wensen dat er ook geld vrijkomt voor minder oppervlakkige lesmethoden. Want niet alleen tekstschrijvers-in-de-dop kunnen later hun vak beter uitoefenen als ze van kindsbeen de Nederlandse grammatica goed in de vingers hebben, maar in feite iedereen die zijn gedachten helder onder woorden wil brengen.

Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.