Na de commotie over de groene en witte spelling stond de Nederlandse taal de afgelopen weken opnieuw in de aandacht. Voor de professionele taalgebruiker sprongen er twee gebeurtenissen uit.
De eerste was de hype rondom Beter Onderwijs Nederland, het platform van filosoof Ad Verbrugge dat pleit voor een radicale vernieuwing van het Nederlandse onderwijs – of beter gezegd, voor een radicale terugkeer naar ‘het oude leren’. Welk voorbeeld werd meermaals aangegrepen om de teloorgang van de onderwijskwaliteit op basisscholen en middelbare scholen te illusteren? Studenten die hun d’s en t’s niet meer op een rijtje hadden.
De tweede gebeurtenis was het vertrek van Piet van Sterkenburg, de man van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie en verantwoordelijk voor de laatste twee Groene Boekjes. De opmerkelijkste uitspraak van Van Sterkenburg in zijn afscheidsinterview in de Volkskrant: de nieuwe spelling (van ’95 en ’05) is helemaal niet moeilijk, maar niemand wil de extra inspanning ervoor doen. Hij dient bovendien zijn tegenstanders van repliek, die beweren dat de nieuwe spellingsregels zo belabberd zijn omdat ze te veel voorkennis vragen van de taalgebruiker. Een voorbeeld: wie de regel van de tussen-n goed wil uitvoeren, moet weten welk meervoud (of welke meervouden) een woord heeft. Wie dat niet weet en het dus moet opzoeken, kan net zo goed meteen het hele woord (met of zonder tussen-n) opzoeken in het woordenboek.
Voor wie het nog niet was opgevallen: de twee nieuwsfeiten liggen in elkaars verlengde. Van Sterkenburg beweert immers dat de nieuwe spelling valt aan te leren, maar dat het onderwijs in gebreke blijft. Niet voor niets vraagt hij zich af waar kinderen zich op school nog wél mee bezighouden. De verborgen premisse van Van Sterkenburg is dat een taalgebruiker best de voorkennis kan hebben die voor de huidige spellingsregels nodig zijn, zolang deze maar deugdelijk onderwijs heeft genoten. Van Sterkenburg nam daarbij zelfs het woord ‘drillen’ in de mond.
Twee andere nieuwsfeiten uit de voorafgaande weken lijken Verbrugge en Van Sterkenburg gelijk te geven: hbo-instellingen gaan bijspijkercursussen geven aan de nieuwe instroom van studenten, terwijl hun studenten het bewijs voor het nut daarvan leverden door bedroevend laag te scoren op de taaltoets die het Cito had ontworpen voor de pabo. Hilariteit alom natuurlijk in de huiskamer van beroepsschrijvers en taalkundigen – en ongetwijfeld ook bij Verbrugge en Van Sterkenburg thuis – toen twee pabostudenten op tv hun grammaticale onkunde mochten tentoonspreiden op de vraag of ‘als’ een voegwoord, bijwoord of voorzetsel is:
– ‘Een voorzetsel.’
– ‘Nee, dat is de, het of een.’
– ‘Welnee joh, dat zijn lidwoorden!’
– ‘Da’s toch hetzelfde?’
Dus is alles de schuld van het onderwijs? Is er daadwerkelijk sprake van een teloorgang van een instituut en kunnen we Nederland Kennisland op onze buik schrijven?
Diverse leerkrachten op basisscholen liepen daar afgelopen week met ingezonden brieven tegen te hoop. ’t Kofschip was weer in ere hersteld, nu als ’t sexy fokschaap. Het was een fabeltje dat school tegenwoordig ‘leuk’ moest zijn. En er werd heus niet dagenlang alleen maar gefröbeld met lijm en papier.
Ik ben geneigd de protesterende leerkrachten daarin gelijk te geven. Goed, één zwaluw maakt geen zomer, maar mijn zoon krijgt in groep 6 van de basisschool meer huiswerk mee dan ikzelf destijds in de brugklas. Sterker nog, wij krégen op de lagere school niet eens huiswerk. De stof die ik voor zijn toetsen moet overhoren, is een stuk pittiger dan wat ik voor m’n kiezen kreeg toen ik in de vierde klas zat, met name als het gaat om geschiedenis, aardrijkskunde en biologie. Die vakken hebben trouwens hun ouderwetse naam terug – het softe ‘wereldoriëntatie’ behoort tot het verleden – en de school geeft weer zessen, zevens en achten op het rapport, in plaats van ‘goed’, ‘voldoende’ en ‘matig’. Leerlingen die problemen hebben met spellen, krijgen ondersteuning van remedial teachers. Een paar maanden individuele aandacht voor ’t kofschip blijkt in diverse gevallen wonderen te doen; aandacht die onze generatie niet kreeg.
Met andere woorden, het door Verbrugge zo vurig gewenste educatief reveil is allang aan de gang. Beter Onderwijs Nederland loopt misschien wel vooral te hoop tegen de kwaliteit die het onderwijs had toen Verbrugge en zijn taalzwakke studenten zélf naar school gingen – zeg maar de tijd vanaf ’75, uitlopend naar ‘95. Toen alles mocht en kon, toen vrije expressie de norm was, toen het niet ging om prestaties maar om werkstukjes. Internetforums en de reactiepagina’s van de grote Nederlandse weblogs leggen de gevolgen daarvan feilloos bloot: hij beleefd en hij verteld zijn daar heel gewoon, hij proefd en geef toch eens antwoordt aan de orde van de dag. En dat zijn geen kinderen en tieners die daar hun mening geven. Dat zijn volwassenen die hun onderwijs hebben genoten in een tijd dat ‘het oude leren’ zogenaamd nog volop in zwang was. Het Nederlands op internet toont aan dat ook de gemiddelde volwassen Nederlander er niks van snapt als het gaat om taal en spelling. Je zou bijna denken dat dat van alle tijden is. Is slecht onderwijs dus ook van alle tijden?
Natuurlijk zijn er verbeteringen mogelijk voor het onderwijs. Zo is er zeker meer differentiatie nodig, al vanaf jonge leeftijd. De basisschool zou moeten worden opgesplitst in minimaal een ‘doeschool’ en een ‘denkschool’ (en liefst allerlei tussenvormen), die alle evenveel aanzien genieten. De doeschool is voor kinderen wier hoofd snel vol zit maar die goed met hun handen zijn. De denkschool is voor kinderen die makkelijk theoretische kennis tot zich nemen. Dat onderscheid is in kleuterklassen al te maken: niet voor niets is de kleuterjuf een betere voorspeller van de toekomst van kinderen dan de Cito-toets in groep 8. Door de verschillen tussen kinderen zo vroeg mogelijk te herkennen en te erkennen, voorkom je dat doekinderen ondersneeuwen in de huidige theoretische leercultuur en van jongsaf aan te boek staan als kinderen met een probleem – of een ‘leerachterstand’, zoals het dan heet. Maar is dat niet tegen het gelijkheidsbeginsel? Niet als je uitgaat van de gelijkwaardigheid van kansen voor elk kind om diens unieke talenten het beste tot hun recht te laten komen.
Tegelijk zouden ouders veel meer de hand in eigen boezem moeten steken. Hoeveel ouders lezen hun kinderen nog voor? Hoeveel ouders moedigen hun kinderen nog aan om te lezen? Hoeveel ouders zijn sowieso nog ouders in plaats van lakeien voor hun prinsen en prinsesjes, die zich uiteraard liever onledig houden met dvd’s en gameboys dan met een boek. Dezelfde prinsen en prinsessen worden weer wél geacht om goed te presteren op school en dan bij voorkeur in de theoretische vakken. Want ouders zien hun kinderen liever manager of beleidsmedewerker worden dan automonteur of loodgieter. Die grootscheepse overwaardering (zowel financieel als maatschappelijk) van niet-productieve vakken is niet alleen slecht voor de samenleving, maar ook funest voor het zelfvertrouwen van kinderen die daar niet de intelligentie voor hebben.
Want als één ding inmiddels duidelijk wordt voor veel kinderen met een taalachterstand: ze missen domweg de specifieke intelligentie die nodig is om op hoog niveau met taal om te gaan, het niveau dat Van Sterkenburg van al zijn taalgebruikers verwacht. Ze kunnen het niet, ook al gooi je er duizend remedial teachers tegenaan. Dan zeg ik: láát ze dan. Leer hen het hoognodige, waarbij je gebruikmaakt van alternatieve onderwijsvormen die aansluiten bij hun praktische intelligentie, om hen toch iets over taal bij te brengen. Besteed de rest van je tijd aan dingen waar ze wel goed in zijn, en waardeer die talenten ook meer. Want daar is een ander soort intelligentie voor nodig, die Van Sterkenburg ongetwijfeld mist. Of zou hij soms zelf zijn badkamer renoveren? Nee, dat laat hij over aan de vakman, net zoals je taal en spelling aan de vakman overlaat. En de volwassenen die wel over enig taalinzicht beschikken maar zo’n vrije opvoeding uit de jaren zeventig hebben genoten? Een simpele spellingscursus blijkt dan al voldoende te zijn, als de basisintelligentie maar aanwezig is.
Het is kortom te kort door de bocht om de schuld te geven aan het onderwijs. Het is de schuld van de mentaliteit in de samenleving als geheel, die eenzijdig de nadruk legt op cognitieve intelligentie en daar het complete onderwijssysteem op afstemt. En die de weinige scholen die oog hebben voor praktische intelligentie – leve de lts! – dan ook nog afschaft. Voor het nu zo beweende lage taal- en spellingsniveau moeten we wederom kijken naar diezelfde samenleving. Daarin zijn beelden belangrijker geworden dan woorden en hebben ouders meer aandacht voor zichzelf dan voor hun kinderen. De vraag waarom mensen tegenwoordig zo slecht spellen, verdient dus een fundamenteler antwoord dan een verbetering van het onderwijs. Het initiatief van Verbrugge is niet meer dan symptoombestrijding.
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.