Een anonieme Bonuskaart. Een geheim telefoonnummer. Een nee-nee-sticker. Ingeschreven bij Infofilter. Nooit meedoen aan enig marktonderzoek. Geen DigiD. Snel een nieuw paspoort gehaald om de toevoeging van vingerafdrukken tenminste vijf jaar uit te stellen, in afwachting van het vernietigend oordeel van het Europese Hof. Ik ben gesteld op mijn privacy. Maar wie mijn naam googelt, krijgt een flinke lap zoekresultaten. Mijn digitale alter ego is reusachtig.
Tikje inconsequent? Misschien wel, maar de enige oplossing die rechtdoet aan de bovenstaande opsomming is ‘geen internet’. En daarvoor is het helaas al bijna twintig jaar te laat.
Het is een bekend verhaal: eind jaren tachtig, begin jaren negentig was internet een medium in opkomst. Of grover omschreven: de anarchie heerste er nog. Het werd bevolkt door wetenschappers (die in hun eigen hoekje zaten) en militairen (de oorspronkelijke uitvinders en ook in hun eigen hoekje), maar die zagen ’t langzaam overgenomen worden door studenten die de universiteitstoegang tot het netwerk kraakten om er hun eigen gekke ding te doen. Het was een spannende, experimentele tijd waarin het ontdekken van je digitale alter ego – en het spelen ermee – met vallen en opstaan gepaard ging. Voer voor filosofen en psychiaters, niet voor job inquiries en business opportunities.
Ik deed volop mee in het spel. Mijn digitale alter ego is dus al zo’n twee decennia oud en geboren in een tijd dat privacy nog helemaal geen overweging was op internet, zo klein was het bereik, zó lastig de toegankelijkheid, zo obscuur de gebruiksmogelijkheden. Bovendien: kick maar eens af als internet al zolang deel uitmaakt van je leven en als het ook nog in vele opzichten het ideale medium is. Zeker voor een schrijver, die zich met letters prettiger uitdrukt dan over de telefoon.
Ze zijn er wel, hoor, de mensen zonder internet. Een weliswaar slinkend deel van de generatie boven mij is nog altijd onbereikbaar voor de almaar toenemende online-marketing van het grootkapitaal, maar ook onvindbaar voor de steeds digitaler communicerende overheid. Neem mijn schoonouders. Actieve mensen die vol in het leven staan – maar ze hebben niet eens een computer. Maar probeer maar eens de generatiegenoten te vinden die geen enkel zoekresultaat opleveren. En over de jeugd hoeven we ’t al helemaal niet te hebben: verstandig of niet, die gooien schaamteloos hun hele hebben en houwen online.
Daarom is de aanval sinds een jaar of wat mijn beste verdediging. Als ik dan toch een digitaal alter ego heb, dan wil ik er ook de baas over zijn. Dus: eigen domeinnamen claimen en onder mijn eigen naam ‘uitzenden’ wat ik over mezelf naar buiten wil brengen. Met andere woorden: als er dan toch zoekresultaten over mij verschijnen, dan moeten die laten zien wat ik wil. Want mijn digitale alter ego hoeft echt geen natuurgetrouwe weergave te zijn van mijn echte ego.
Volgende keer over jezelf verkopen op internet, ofwel: hoe stof ik mijn digitale alter ego op? En kun je daar ook te ver in gaan?
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.