100% focus, 100% van de tijd
Wat was het leven van de Grand Prix-coureur vroeger toch mooi. Snelle ‘leenauto’s’, koele chicks, elke dag feesten tot zeven uur in de ochtend. Dus waarom zijn de F1-coureurs van vandaag toch zo saai? Omdat ze helemaal geen tijd meer hebben om de beest uit te hangen. F1 in 2010 vraagt om 100% focus, 100% van de tijd, anders ben je morgen de verliezer. Een kijkje in het lichaam en vooral het brein van de hedendaagse F1-kampioen.
Ooit leek ‘talent’ genoeg om het te maken in de Formule 1. Als je leest hoe James Hunt zich ‘voorbereidde’ of hoever feestbeest Innes Ireland het zijns ondanks schopte, puur doordat ze een aardig potje konden sturen, dan klinkt dat zo ongeveer als het ideale leven. Als beroeps worden betaald om je op en naast de baan helemaal uit te leven. Wie zou er niet voor tekenen?
Tegenwoordig kan een talent dat wel vergeten. Talent zit vandaag de dag in veel meer dan alleen de handen aan het stuur en de voeten op de pedalen. F1 is pure topsport, die het uiterste vergt van lichaam en geest. Sterker nog, volgens sommige medici zijn F1-coureurs de ultieme topsporters, waarbij vergeleken voetballers, wielrenners en zelfs marathonlopers pure watjes zijn. In Abu Dhabi konden journalisten en een geselecteerde groep fans onlangs twee dagen lang ontdekken wat er in 2010 wordt gevraagd van een succesvol F1-coureur. Dit filmpje geeft een vluchtige indruk van wat de argeloze wannabees kregen voorgeschoteld. En dan moest ’t nog gezellig blijven.
Het wordt pas indrukwekkend als je de feiten ziet die organisator Dr. Ceccarelli op een rij heeft gezet. Andrea Ceccarelli is de bekende wonderdokter die diverse F1-coureurs fysiek maar ook mentaal begeleidt en daarvoor zelfs zijn eigen bureau heeft opgericht: Formula Medicine. Uit de cijfers die de Italiaan noemt, blijkt dat tegenwoordig ook het brein het verschil maakt.
Concentratiekampioenen
Een F1-coureur onderscheidt zich vooral door het vermogen zich langdurig te concentreren op één taak. Hij kan die taak beter én sneller uitvoeren dan jan met de pet. Eén simpel testje laat het verschil zien. We kennen allemaal de test waarin je kleuren in woorden ziet. Maar niet alle woorden staan afgebeeld in de juiste kleur. Het gaat erom dat je bij ROOD op ‘goed’ drukt en bij GROEN op ‘fout’. Om het nog moeilijker te maken, wisselen de goed- en foutknoppen voortdurend van plaats. Jonathan Noble, journalist voor autosport.com, scoorde 75% in de volle 100 seconden die voor de test staat. Robert Kubica is de kampioen van deze test: 100% in 62 seconden.
Hersentraining is kortom net zo belangrijk als een stevig potje krachttraining. Niet dat we die kracht moeten onderschatten, ook al zien we er niet veel van, verborgen achter helm en auto. Een coureur moet krachten tot 5G kunnen weerstaan, met soms doordraaiers die secondenlang met 4G aan je sleuren, zoals de beruchte bocht 8 op het circuit van Istanbul Park. Het voorbeeld in het filmpje – het gewicht van 5 kg dat aan de helm hangt – maakt veel duidelijk. Normale mensen houden het misschien drie minuten vol. Een F1-coureur haalt de tien minuten. Met gemak.
Sterk in hart en hoofd
Tegelijk draait het om conditie. In geen enkele andere sport is het lichaam zo lange tijd met zo’n hoge hartslag actief: ergens tussen de 180 en 210, en dan ruim anderhalf uur lang. Als er sporten zijn die daar in de buurt komen, dan kan dat alleen door het brein uit te schakelen. Neem de marathonloper. Die moet zo min mogelijk denken om de pijn niet te hoeven voelen. Verstand op nul, blik op oneindig. Een eitje voor een F1-coureur. Jenson Button schudt doordeweeks zo een triatlon uit zijn mouw. Eenvoudige conditietraining voor het échte werk. Want in een GP-weekend kan hij zich die luxe niet veroorloven. Niet kortstondig knallen, onderbroken door rustpauzes, maar ruim anderhalf uur lang het lijf volop laten werken terwijl het brein tegelijk overuren draait.
Juist daarom is het zaak dat de hersenen zo min mogelijk energie verbruiken. Bij F1-coureurs stroomt er bij dezelfde taken minder bloed door het hoofd dan bij een controlegroep die bestaat uit doktoren en studenten. Tegelijk kunnen zij hun stress beter onderdrukken en zo desgevraagd hun hartslag sterker verlagen dan gewone mensen.
Onbewust geniaal
Was dat in de tijd van Ireland en Hunt dan allemaal niet nodig? Misschien niet, als je kijkt naar het succes van die twee. Maar ze hadden tijdgenoten die nog veel succesvoller waren. Neem Stirling Moss, door Ireland zelf beschouwd als de beste van zijn tijd. Of Niki Lauda, die alleen door zijn ongeluk op de ‘Ring een titel aan de lanterfanterende Hunt ‘gunde’. Je leest over Lauda’s benadering van de sport in zijn autobiografie Meine Story (To Hell and Back in het Engels), maar ook in zijn boek met de veelzeggende titel The Art and Science of Grand Prix Driving.
In zijn (overigens dolkomische) autobiografie All Arms and Elbows steekt Ireland op zijn beurt meermaals de loftrompet af over Moss. Niet zomaar, want Ireland heeft een fysiologische verklaring voor het succes van Sir Stirling. Bijna een halve eeuw geleden somde Ireland al precies de ingrediënten op die het verschil maakten tussen Ireland de liefhebber en Moss de professional: een nooit verslappende concentratie, een akelige precisie, elk rondje weer, en het vermogen om alles wat met het rijden zelf te maken heeft automatisch te doen, zodat hij hersencapaciteit vrijmaakt om na te denken over zijn racestrategie.
Winnen door toewijding
Het is alsof je een beschrijving van Schumacher of Alonso op hun hoogtepunt leest. In de BBC-documentaire die Top Gear-presentator Richard Hammond met Stirling Moss over hun beide ongelukken maakte, is Moss er duidelijk over: nadat hij uit zijn coma was ontwaakt, waren de automatismen weg. Het rijden werd weer een bewuste activiteit. Zijn genie zat in het onderbewustzijn – en dat geldt voor iedereen die ergens heel erg goed in is, zoals psycholoog Ap Dijksterhuis zo fraai illustreert in zijn boek Het slimme onbewuste.
Gold dat dan ook niet voor pretletters Hunt en Ireland? Uiteraard, maar van hoeren en snoeren gaat je concentratievermogen niet bepaald omhoog. En je conditie evenmin. Dan was er nog dat laatste puntje dat feestvarken Innes over zijn vakgenoot noemde: diens monomane toewijding en het vermogen van Moss om de sport veel serieuzer te nemen dan Ireland zelf ooit zou kunnen (zelfs al wist ‘Stirl’ ook van wanten als het om meisjes ging). Opnieuw echo’s van Schumacher en Alonso.
Toegegeven, Kimi Räikkönen bewees dat het in de moderne tijd nog steeds mogelijk is om de kantjes ervan af te lopen en toch kampioen te worden, maar de saaie professional die netjes de wekker zet, maakt altijd meer kans. Zou Kimi met zijn flamboyante levensstijl, die ooit het pseudoniem James Hunt gebruikte in een snowscooterwedstrijd, daarom inmiddels in een rallyauto zitten? Of is de ultieme WRC-professional Sébastien Loeb in die sport niet voor niets de onbedwingbare kampioen?
Oorspronkelijk geplaatst op Driving-fun.com.
