Het nut van een standaardtaal

In de afgelopen eeuwen is onze taal van twee kanten spontaan veranderd tot het Nederlands dat we nu spreken – door de straat en door de literatuur. Maar een standaardtaal hebben we nog niet zo lang. Het bezit ervan is de aanleiding tot een reeks twisten tussen preciezen en rekkelijken die waarschijnlijk nooit meer ophoudt. De eerste groep, waarin cultuurpessimisten oververtegenwoordigd zijn, wil het Nederlands behoeden voor nog meer verandering of – in hun termen – verloedering. De tweede groep, waarin vrijzinnige cultuuridealisten de boventoon voeren, wil het liefst morgen nog alle regels afschaffen.

Maar waarom hebben we eigenlijk een standaardtaal? Wat is het nut ervan? Drukt hij, zoals zo vaak wordt beweerd, dialecten weg? Is het een voedingsbodem voor discriminatie of biedt hij juist emancipatiekansen? Ook daar zijn de meningen over verdeeld.

In Frankrijk, waar een sterk nationalistisch sentiment heerst, is te zien dat de standaardtaal de taalverandering wel degelijk afremt. Tegenhouden lukt evenwel niet, daarvoor is de taal te veel een natuurfenomeen met een sterke eigen wil – zie mijn eerdere betoog over de darwinistische aspecten van taalverandering. Ook is Frankrijk in Europa nog steeds het land met de meeste streektalen en dialecten, en niet alleen omdat het zo’n groot oppervlak heeft.

Helpt een standaardtaal streekbewoners en migranten nu vooruit of juist niet? Het zijn twee zijden van dezelfde medaille, zo lijkt het. Wie moeite doet om de standaardtaal accentloos uit te spreken, heeft een instrument om de maatschappelijke ladder te beklimmen. Je hoort het talloze slimme mensen van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Indische, maar ook Groningse of Limburgse origine zeggen: het Algemeen Nederlands bood hen de kans om hoorbaar duidelijk te maken dat ze erbij horen. Dat ze niet achterlijk zijn, maar beschaafde Nederlanders.

In dat licht bezien is de standaardtaal een grote winst voor de emancipatie van allerlei bevolkingsgroepen. Tegelijk zijn er onder die streekbewoners en migranten grote groepen die er niet in slagen om zich de standaardtaal machtig te maken. Voor hen worden hun accent en hun schriftelijke zonden tegen de schoolmeestergrammatica en de officiële spelling een negatieve sociale marker. Vooral migranten zijn in één oogopslag herkenbaar als buitenbeentjes en hun taal werkt daarbij als extra bevestiging van burgerlijke vooroordelen. Ook Nederlanders van het platteland kunnen meteen door Randstedelingen worden weggezet op grond van hun tongval en typerende uitdrukkingen.

Wat weegt er zwaarder? De kansen die een standaardtaal biedt aan slimme mensen uit achterstandsgroepen? Of de kansen die de standaardtaal afpakt van mensen die niet de bagage in huis hebben om zich die taal eigen te maken? Het is een moeilijke keuze, maar ik ben geneigd tot het kiezen van het eerste. Minderheden kunnen alleen emanciperen door voorlopers – en daar horen standaardtaalsprekers bij. Zij kunnen niet alleen het algemene beeld bijstellen, maar ook de rest van de groep meetrekken.

Bovendien valt het met die discriminatie wel mee. Niet voor niets zijn vele dialecten en sociolecten – van straattaal tot Tukkers – geuzentalen geworden. Een negatieve sociale marker kan zo worden omgebogen in iets positiefs, iets cools dat de Randstedeling ook wel zou willen hebben, iets authentieks dat een standaardtaalspreker van huis uit soms niet lijkt te hebben meegekregen.

Geef daarom de taal de kans om te veranderen en zich in allerlei vormen te uiten, maar tegelijk: leve de standaardtaal!

Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.