F1-innovatie: zeswielers

Jody Scheckter, Tyrrell P34

Science fiction die even werkelijkheid was

Even was de Tyrrell P34 de geliefdste modelauto ter wereld. De zeswieler sprak eind jaren zeventig meer tot de jongensverbeelding dan alle Ferrari’s, Lotussen en McLarens bij elkaar. Maar wat was de gedachte achter die vier voorwielen? Waarom slaagde het experiment uiteindelijk niet? En hoe zit het met die andere zeswielers die het ook hebben geprobeerd?

Ik geef het toe, ook ik was zo’n jochie dat enorm onder de indruk was van de Tyrrell Project 34. Een spectaculaire actiefoto – Patrick Depailler die dwarsgaat in Monaco – hing in die jaren op posterformaat boven mijn bed. Het was science fiction die werkelijkheid was geworden. De auto was niet bepaald een schoonheid, maar als statement van pure vooruitgang kon je niet om de zeswieler heen. De speelgoedversie van de P34 was dan ook de favoriet onder mijn F1-auto’s op schaal. Ik liet ‘m altijd winnen. De Ferrari 312T2, de Lotus 78 en de McLaren M23 in mijn collectie legden het keer op keer af in de GP van Nederland die regelmatig werd uitgezet op het tapijt van mijn jongenskamer.

In het echt won de P34 maar één keer. In Zweden in 1976, op het circuit van Anderstorp, dat met zijn lange doordraaiers geknipt was voor de zeswieler. Winnaar was Jody Scheckter, mijn toenmalige held, die de auto trouwens haatte. Zijn teamgenoot Depailler, een intens levende Fransman van het type James Hunt, volgde Scheckter over de streep, maar feitelijk was hij de ambassadeur van het concept. De kettingrokende durfal uit Clermont-Ferrand, voor wie ik al evenzeer een zwak had, zag in de testfase het potentieel en stond vierkant achter de beslissing van Ken Tyrrell om door te gaan met het radicale idee van ontwerper Derek Gardner, die ons eerder dit jaar ontviel. Gardners idee dook niet op uit het niets. Waar haalde Abraham de mosterd?

Status quo in het 3-litertijdperk

Om die vraag te beantwoorden, moeten we kijken naar de situatie in de Formule 1 van midden jaren zeventig. Na tien jaar was er in het 3-litertijdperk een status quo ingetreden. De wilde innovatie die je altijd na de introductie van een nieuw reglement ziet, was weggezakt. Vierwielaandrijving was afgeserveerd, de turbinemotor bleek ook niet het antwoord. In plaats daarvan bleken vleugels en slicks de oplossing. De krachtige maar betaalbare DFV V8 van Ford Cosworth had de meeste motorische alternatieven weggedrukt. Samen met een Hewland-versnellingsbak, die klanten al evenzeer uit het schap konden trekken, luidde de DFV het ‘kit-car’-tijdperk in de 3-literformule in. Alleen Ferrari en BRM volhardden nog in hun eigen 12-cilinders, terwijl Ligier de V12 van Matra tot zijn beschikking kreeg.

Omdat de Cosworth-motor en de Hewland-bak zo betaalbaar waren, kon vrijwel iedereen zijn eigen F1-team beginnen. De hobbyprojecten waren in de eerste helft van de jaren zeventig dan ook niet van de lucht. Tegelijk was er ook geen beter alternatief, zonder je qua uitgaven op Ferrari-terrein te begeven. En wie wilde dat ten tijde van de oliecrisis? Daarom maakten ook de Britse topteams (Lotus, McLaren, Tyrrell, Brabham) gebruik van de bewezen combinatie van Cosworth en Hewland. De technische vooruitgang in het 3-litertijdperk was tegen een muur aangelopen.

Het hele achtergrondartikel lezen? Kijk verder op Driving-fun.com. Foto: Lothar Spurzem.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.