Alles gedaan en overleefd
Gijs van Lennep werd in 1999 uitgeroepen tot de grootste Nederlandse coureur van de 20e eeuw. Hoe verdiende hij die eer? Langs welke mijlpalen liep het racende leven van de jonkheer? DF toog naar huize Van Lennep voor de antwoorden.
1. De eerste GP van Zandvoort (1948)
Hij was zes jaar oud en zijn vader nam hem mee naar de allereerste Grote Prijs op het circuit van Zandvoort. “Toen besefte ik het natuurlijk nog niet, want wat weet je als jochie van zes. Maar achteraf was het duidelijk: ik moest en zou racen. In de jaren erna fietste ik altijd met mijn vriendjes van Aerdenhout naar het circuit, om te kijken hoe de coureurs hun lijnen reden. Van kijken kun je al zo veel leren.”
2. Stunten met een Kever (1957)
Op zijn 16e reed hij al in een Kever rond. “Een vriendje van 18 huurde ‘m dan en die bracht ‘m aan het eind van de dag met versleten banden terug… Ik heb er trouwens nooit een platgereden. Ik was toen al kind aan huis op de antislipschool van Rob Slotemaker. Die heeft me alles geleerd over wagenbeheersing, de basis voor iedereen die hard wil gaan. Het heeft me een paar keer het leven gered.”
3. De eerste auto (1960)
Zijn eerste eigen auto was ook een Kever. “Maar ik moest er natuurlijk weer een Porsche-motor in zetten. Daarmee racete ik tegen DKW’tjes. Dat had best fout kunnen gaan, maar gelukkig ging het altijd goed. Dat kan ik niet zeggen over de Fiat 600 van mijn moeder. Die heb ik in de RAC West Autosprint over de kop gerold. Mijn moeder was er niet blij mee, maar mijn vader nam het niet zo zwaar op. ‘Het dak is ietsje lager geworden’, legde hij mijn moeder vrij nonchalant uit.”
4. Het vertrouwen van Jim Russell (1963)
Al in 1963 was de F1 zijn doel. Hij was toen net in de Formule Vee gestapt en de befaamde raceschoolinstructeur Jim Russell zei hem dat hij talent had. Daar heeft hij zich altijd aan vastgehouden. “Formule 1 blijft het mooiste wat er is. Dat zeg ik ondanks al mijn successen in de sportwagens en de toerwagens. Toen Ben Pon – die een goede vriend van me is geworden – een stel Veetjes uit Amerika haalde, kon ik me in 1965 met een ervan bewijzen. Toen ging het balletje rollen. Ik stapte ik bij Racing Team Holland aan boord, samen met Ben. Ik versloeg Rindt in Oostenrijk en kreeg fabriekscontracten bij Porsche en DAF.”
5. De klap op Spa (1967)
Met Ben had hij mooie overwinningen geboekt met de 904 en 906 van Porsche. Maar op Spa ging het mis met de 906 Carrera 6. “Ja, een van die dingen: de motorkap woei open, net na Les Combes. De auto werd meteen gegrepen door de wind en vloog het talud af. Ik ben eruit geslingerd, mijn schoenen en mijn broek bleven achter in de auto. De stalen band van mijn horloge was afgebroken, zo hard kwam ik neer. Volgens Ben had ik zonder die klap hoog kunnen eindigen in de F1, maar ik vraag ’t me af. Al mijn grote successen zijn van ná de klap. Ik ben altijd een berekenende rijder geweest, en een stilist. Jim Clark was mijn grote voorbeeld. Niets aan te zien, maar o zo snel. In 1968 won ik ook meteen weer in de F3 met de Variomatic-aandrijving, waarvoor ik met links moest leren remmen.”
6. Het F1-debuut (1971)
Voordat hij in 1972 een seizoen in de Formule 5000 kon rijden, een soort goedkope Formule 1 met 5-litermotoren van Chevrolet, maakte hij in een overjarige Surtees TS7 zijn GP-debuut. “Op Zandvoort, in de regen. Ik werd achtste. Graham Hill vroeg na afloop: ‘Wie is die gozer?’ Maar het leidde tot niets. F1 was altijd een kwestie van centjes. F1-teambazen, het is een apart slag mensen. Ik heb ook niet de gemakkelijkste meegemaakt. John Surtees was een bijzonder type. Later Frank Williams net zo. Die was toen alleen maar bezig om zijn team overeind te houden. Voor 32 duizend gulden kon ik in de F5000 rijden. In een Surtees van een privéteam werd ik kampioen – en toen had Surtees opeens wél belangstelling! Nou, toen hoefde ’t voor mij niet meer.”
7. De eerste Le Mans-overwinning (1971)
In het jaar van zijn F1-debuut won hij ook voor het eerst de 24 uur van Le Mans, in een Porsche 917 die in de trainingen tot in de puntjes was afgesteld door de perfectionist Van Lennep. “F1 blijft het mooiste wat er is, maar een Porsche 917 is natuurlijk ook gaaf. Het weerzien met de 917 op Laguna Seca vorig jaar was echt geweldig. Het waren net skelters. Maar je moest ze wel goed afstellen, anders waren ze link. Ik kan me nog herinneren dat een Amerikaan dodelijk verongelukte in een van de eerste exemplaren. Dat Helmut Marko en ik vorig jaar ons afstandsrecord op Le Mans verloren, is natuurlijk wel jammer. Maar gelukkig zijn we het record kwijtgeraakt aan Audi, niet aan Peugeot!”
8. Winnen in de laatste Targa Florio (1973)
Tegenwoordig praat hij net zo lief over rallyrijden. Hij is net weer terug van een fantastisch verlopen Winter Trial. Het muntje viel al in de jaren zeventig, tijdens de Targa Florio, de wegrace op Sicilië die half tussen racen en rallyrijden in zat. “Zandvoort, Spa en de Nürburgring zijn schitterende circuits. Vooral de ‘Ring is fantastisch, met zijn hoogteverschillen. Maar de Targa Florio, die sloeg alles. Vol over de openbare weg. Ik ben er vorig jaar met Autovisie teruggeweest. De passie die je daar op straat tegenkomt, geweldig gewoon. ‘Gies! Gies!’ riepen ze. Ja, de Targa, die zit echt hier.” Waarna hij zijn hand op zijn hart legt.
9. Het drama Williamson (1973)
Zijn eerste WK-punt haalde hij uitgerekend in de GP op Zandvoort waarin Roger Williamson dodelijk verongelukte, in een brandend wrak, voor de ogen van miljoenen tv-kijkers. “Ja, verschrikkelijk natuurlijk. Brand, daar ben je als coureur altijd het bangst voor. Hoe het was om door te racen? Weet je, elke anderhalve minuut kwamen we daar langs. Je ziet een hoop rook en een coureur die zijn auto probeert te blussen. Ik had de auto van Purley niet eens zien staan, ik dacht dat hij Williamson was. Na afloop moest ik van Frans Henrichs horen dat hij dood was, met de camera erbij. Toen heb ik wel even gevloekt, ja.”
10. Het WK-punt voor Ensign (1975)
Toen Roelof Wunderink in het voorjaar van 1975 gewond raakte, kon hij hem bij Ensign vervangen. Dat F1-team werd toen gesponsord door de gebroeders Hoogenboom van het Nederlandse beveiligingsbedrijf HB Bewaking. In een slopende race klom hij op van de 24e naar de zesde plaats. “Belde een van de Hoogenbooms me na afloop op. ‘Je hebt niet goed gereden, Gijs.’ Natuurlijk heb ik weleens een slechte race gereden. Eerder dat jaar op Nivelles was echt helemaal niks, maar dat was ook een rotbaantje. Maar nu had ik hun eerste WK-punt voor ze binnengehaald, waardoor Bernie het jaar erna hun reiskosten zou vergoeden. Ach ja, zo gaan die dingen.”
11. De tweede Le Mans-zege (1976)
Na zijn tweede Le Mans-zege, weer voor Porsche, maar ditmaal met Jacky Ickx, hing hij zijn helm aan de wilgen. Wilde hij stoppen op het hoogtepunt? “Nee, ik had vooraf mijn afscheid al aangekondigd. Die zege met Ickx was een cadeautje. Waarom dan stoppen? Het waren tien dodelijke jaren, tussen 1966 en 1976. Elk jaar gingen er wel een paar. Twee keer waren het mijn teamgenoten. Eerst Hans Laine, mijn teamgenoot bij het Finse AAW-team, in 1970. Daarna Joakim Bonnier op Le Mans in 1972. Een foutje gemaakt, dat ging op Le Mans heel makkelijk. Dus ik vond het in 1976 mooi geweest. Ik had alles gedaan én heb alles overleefd.”
Oorspronkelijk geplaatst op Driving-fun.com.
