Misschien een beetje vreemd voor een bureau dat geschreven taal als product levert, maar deze column begin ik met spreektaal. Want is het u ook opgevallen dat u sprekers steeds vaker de klemtóón verkeerd hoort leggen? Klemtóón is in dit geval trouwens een verkeerd voorbeeld, want het gaat vaak om klemtonen die eigenlijk op de laatste of voorlaatste lettergreep gelegd dienen te worden, maar nu op de eerste lettergreep vallen. Opeens zijn het geen finan-cië-le verplichtingen, maar fi-nanciële verplichtingen. Een partij heeft geen sociáál gezicht meer, maar een sóciaal gezicht. Toegegeven, omgekeerd kan het ook. De afgelopen week stond namelijk de kinder-op-vang in de belangstelling, terwijl ik toch altijd dacht dat het om kin-deropvang ging.
Het zijn ook niet zomaar sprekers. De klemtoonverwisselaars komen uit de kringen van politiek en media. Het balletje hebben ze elkaar bij wijze van spreken naar elkaar toegerold. De gewoonte hebben ze elkaar aangepraat. Het is de klemtoon der gezagsdragers en opiniemakers, het sprekend bewijs dat de macht en de controle op de macht twee kanten van dezelfde medaille zijn. Het zijn Balkenende en Netwerk, Verhagen en Nova. In feite zijn de klemtoonverwisselingen markers van status. De gebruikers ervan laten door hun klemtoonverandering elkaar en het publiek weten dat zij tot de incrowd behoren. Het gebeurt op een onbewuste manier, net zoals gebruikers en gebruiksters van het Poldernederlands elkaar zonder het in de gaten te hebben codes toesturen die verborgen liggen in de verzakking van hun klinkerspectrum.
De klemtoonverwisselaars doen nu zo’n jaar of twee hun kunstje op tv en radio en het effect is al merkbaar. In mijn dagelijkse praktijk als bedrijfsjournalist kom ik het fenomeen inmiddels tegen onder managers en consultants, grof gezegd de gezagsdragers en opiniemakers van het bedrijfsleven. Twee jaar mag in de snelle wereld van vandaag een eeuwigheid zijn, in de wereld van taalverandering is het een seconde.
De klassieke taalverandering kwam namelijk vanuit het volk: heel langzaam, over een tijdspanne van decennia, zag je verwisselingen, verschuivingen en grammaticale herinterpretaties postvatten in een steeds groter deel van de bevolking, totdat taalkundigen er niet meer omheen konden en de nieuwe vorm uitriepen tot standaardtaal. Een bekend voorbeeld is de verandering van daar naar waar, dat naar wat en die naar wie. De eerste is voltooid, de nieuwe vorm (‘Het huis waar ik woon’) maakt deel uit van de standaardtaal. De tweede is zo goed als voltooid: meer dan 90 procent van de Nederlandstalige sprekers gebruikt de ongrammaticale vorm (‘Het huis wat ik bezit’), maar zet meestal nog de correcte vorm op papier. De derde is nu nog het domein van Johan Cruijff en andere platte sprekers (‘De speler wie buitenspel stond’), maar zal volgens taalkundigen nog deze eeuw de dominante vorm worden. Ook ‘Zij hebben’ en ‘het meisje’ hebben het moeilijk en zullen het over afzienbare tijd afleggen tegen ‘Hun hebben’ (een autochtoon fenomeen) en ‘de meisje’ (een allochtoon verschijnsel).
Althans, volgens diverse taalkundigen. Zo’n vaart zal het in mijn ogen niet lopen. Anders dan voorheen is de geschreven standaardtaal sterker verankerd dan ooit. Een officiële oekaze vanuit de Nederlandse Taalunie die bepaalt dat ‘Het huis wat ik bezit’, ‘Hun hebben’ en ‘de meisje’ voortaan correct Nederlands zijn – wat met dezelfde pennenstreek de huidige vormen ongrammaticaal zou maken – is nauwelijks voor te stellen en zou op groot verzet stuiten. Niet voor niets is de officiële Nederlandse grammatica sinds de wildgroei in descriptieve en normatieve boekwerken niet meer noemenswaardig gewijzigd.
Taalverandering zoekt daarom andere wegen en richt zich in toenemende mate op uitspraak, de grammatica daarbij intact latend. De alomtegenwoordige media zijn daarvoor het verspreidingsmiddel bij uitstek. Wat vroeger twee eeuwen in beslag nam, gebeurt nu in twee jaar. Het blijft bovendien niet beperkt tot een regio (zoals vroeger met uitspraakverandering het geval was) maar gaat als een olievlek het land over. Even afgezien van de (alweer overgewaaide) hausse aan reality-programma’s zijn de media het domein van gezagsdragers en opiniemakers, niet van het volk. En zo kan het gebeuren dat de opvallendste taalveranderingen nu top-down en snel plaatsvinden in plaats van bottom-up en traag.
Oorspronkelijk geplaatst in Wereld, het weblog van Jager & Neyndorff.