F1-innovatie: turbines en CVT (vervolg)

Gijs van Lennep, DAF F3, Naarden

Betamax en Video 2000 revisited

In het vorige deel zagen we hoe de turbinemotor in Amerika werd weggepest en in Europa te weinig aandacht kreeg om een succes te worden. Pesten en te weinig aandacht geven hoorden ook bij de behandeling die een ander stiefkindje van de sixties ten deel viel: de continu variabele transmissie. Turbines, CVT en wellicht ook vierwielaandrijving werden het Betamax en Video 2000 van de Formule 1. Technisch razend knap, maar totaal niet sexy. De VHS van de autosport – een brullende zuigermotor met handbak en achterwielaandrijving – dat was pas de echte porno.

De turbine beleefde zijn hoogtepunt in de jaren zestig en verdween na 1971 volledig uit beeld. De CVT-transmissie bereikte de F1 pas jaren later, maar toch is de uitvinding van Hub van Doorne (de techneut) en zijn broer Wim (de zakenman) net zo’n kind van de sixties. Al in 1963 kwam de techniek in een formuleauto terecht. Het was een inspanning van DAF zelf, dat onder aanvoering van oud-coureur Henk van Zalinge een Alexis F3 kocht, met de bedoeling om te onderzoeken of DAF’s Variomatic-transmissie ook een krachtige motor kon weerstaan, in dit geval de Ford Cosworth BDA van 1100cc.

Want dat was tot dan toe het cliché geweest: de ‘jarretelaandrijving’ van DAF was alleen geschikt voor truttenschuddertjes. Ook al reden Dafjes in Nederland met duizenden tegelijk de showroom uit, in het buitenland sloegen ze maar niet aan. Het tuttige ontwerp zal er deels debet aan zijn geweest en hetzelfde gold voor het gebruiksgemak, dat juist bij bejaarden en vrouwen zo tot de verbeelding sprak. En wie wil er nu met ouwe wijven worden geassocieerd? De combinatie met de luchtgekoelde tweepittertjes van DAF, die een acceleratie van 0-100 van ‘oneindig’ opleverden, deed de rest.

Belofte in de Formule 3

Het Alexis-experiment kreeg in 1964 een vervolg met het DAF Racing Team, geleid door Rob Koch. Een jonge Rob Slotemaker werd in huis gehaald en ‘Sloot’ reed de Alexis naar een keurige zevende plaats in de F3-race van Monaco. Het jaar erop ging DAF een samenwerking aan met Jack Brabham, de coureur die altijd in was voor een technische uitdaging. Niet voor niets zette hij de doorbraak van de F1-auto met middenmotor in gang. De Brabham-DAF maakte zijn debuut op Zandvoort, waar Slotemaker keurig als achtste finishte.

In 1966 gaf DAF het dagelijkse werk uit handen aan het Britse team The Chequered Flag, dat de Engelsman Mike Beckwith inhuurde. Nu ging het opeens snel vooruit. In de Brabham-DAF BT18A, nu aangedreven door een Cosworth MAE van 1,6 liter, werd Beckwith tweede op Monza en derde op Brands Hatch, en dat terwijl de Variomatic aerodynamisch nu niet bepaald de elegantste oplossing bood. Opeens begonnen mensen de voordelen door te krijgen van het simpele concept: twee poelies, een riem, een vaste overbrenging naar de aandrijfassen, en een motor die voortdurend op zijn perfecte toerental mag draaien – want de trapeziumvormige riem die variabel op en neer glijdt over de conische helling van de eerste poelie, zorgt voor een traploze overbrenging. Een pienterder pookje bestaat niet.

Het hele achtergrondartikel lezen? Kijk verder op Driving-fun.com.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.