Formule 1 voor beginners

Lotus T127

Checklist voor nieuwe F1-teambazen

Een nieuw F1-team beginnen gaat met vallen en opstaan. En soms alleen met vallen. Ter lering en vermaak stuitte DF op de transcriptie van een recente FIA-bijeenkomst. Daar kregen de nieuwkomers op hoog niveau uitleg over de strenge eisen die de internationale autosportbond aan F1-inburgeraars stelt. Leest u mee?

Goedemiddag, welkom bij de cursus Formule 1 voor beginners. Zitten we allemaal stevig in het zadel? U, meneer Campos? En u, heren Branson en Booth van Virgin? Zit u prettig, meneer Windsor en meneer Anderson van USF1? En meneer Fernandes van Lotus, alles goed? O, welke laatkomer hebben we daar? Meneer Stefanovic? Daar achteraan is nog een plaatsje, we waren gelukkig nog niet begonnen.

Goed, vingers graag. Wat hebben we allemaal nodig om een F1-team te beginnen? Gouden bergen. Heel goed, meneer Branson. Luchtkastelen. Goede suggestie, meneer Campos. Bluf! In de roos, meneer Windsor, ga zo door. Van bluf hebt u héél veel nodig. Wat nog meer? Een naam met geschiedenis. Mooi bedacht, meneer Fernandes, in deze nostalgische tijden.

Toch mis ik een paar dingen. Mag ik nog eens een rondje doen? Een gebouw, ja. Hardwerkende mensen, productiefaciliteiten, natuurlijk. Coureurs? Haha, ja, wat dacht u dan? Maar staat u dan echt op 14 maart in Bahrein aan de start? Zeg eens eerlijk? Nee hè? Want wat ontbreekt er nog? Een auto! Heel goed van u, meneer Booth en meneer Fernandes, om uw collega’s daarop te wijzen. Nee, meneer Windsor, dat kan heel goed, iemand anders inhuren om die auto voor u te bouwen. Dat is met de Virgin en de Lotus tenslotte ook gebeurd.

Wat zegt u, meneer Campos? Hebt u dat ook gedaan? O ja, bij Dallara was ’t toch? Maar had u behalve de luchtkastelen van  Meta 1 ook de gouden bergen die dat ‘beste marketingbureau ter wereld’ zou binnenhalen? Ik wil maar zeggen. U mag van geluk spreken dat uw zakenpartner u uit de brand helpt. Want laten we wel wezen, wij zijn erin getuind door uw samenwerking met Dallara. U leek vooraf de meest serieuze kandidaat van alle nieuwkomers. Terwijl wij eerlijk gezegd een beetje moesten grinniken toen Manor en Litespeed hun aanvraag deden. Dat waren toch eigenlijk simpele F3-teampjes met grootheidswaan.

Maar Manor haalde Virgin binnen en Litespeed ging naadloos over in Lotus. Niet alleen vanwege de naam, maar vooral vanwege de steun van het Maleisische Proton-concern, de huidige eigenaar van Lotus. En toen u ook nog Trulli en Kovalainen in huis haalde, meneer Fernandes, in plaats van een stel pay drivers, was ons helemaal duidelijk dat u het meende. En dat fraaie groen, die gele velgen, het typenummer 127 dat met zo veel gevoel voor traditie is gekozen. Petje af, meneer Fernandes, ik had het niet achter u gezocht!

Meneer Windsor, u wilt nog een puntje naar voren brengen? Een officiële inschrijving voor het FIA-wereldkampioenschap F1 van 2010. Ja, dáár hebt u heel goed voor gezorgd. Mijn complimenten. Daar zit meneer Stefanovic nog steeds om verlegen. Net als om een bandencontract. Want alleen op remschijven en een bodemplaat kunnen we niet racen, hè, meneer Stefanovic?

Tja, als ik eerlijk ben: toch ook een beetje eigen schuld. Had u na onze zorgvuldige selectieprocedure maar niet moeten dreigen met het Europese Hof, omdat wij zogenaamd aan elke nieuweling Cosworth-motoren opdrongen. Flauwekul. Prodrive haakte de vorige keer ook al uit zichzelf af – en die hadden wij dan een inschrijving moeten gunnen? En Epsilon-Euskadi heeft weliswaar een schitterend Le Mans-prototype gebouwd, maar dat ding heeft maar een paar keer gereden voordat ze moesten stoppen. Uit geldgebrek! Ja, dan hoeven wij dat boekenonderzoek toch niet eens meer uit te voeren?

Goed, ik weet heus dat meneer Ecclestone er alles aan doet om u alsnog in Bahrein op de grid te krijgen, meneer Stefanovic. En ik geef toe dat de Toyota’s die u lock, stock and barrel hebt gekocht, serieuze F1-auto’s zijn, ook al hebt u zelf een beetje de uitstraling van een Oost-Europese James Bond-schurk. Maar Bernie is niet almachtig, hij is de FIA niet. Wij bepalen nog altijd wie er meedoet en wie niet. Het zou toch van de gekke zijn dat u zomaar een plekje wordt gegund terwijl uw collega’s vóór 29 mei 2009 hun businessplan helemaal op orde moesten hebben? Dan kan voor hetzelfde geld Lola morgen bij ons aankloppen en zeggen dat ze overmorgen willen racen. Zó zit de wereld niet in elkaar!

Hee, wat zit u nu te smoezen met meneer Windsor?

Oorspronkelijk verschenen op Driving-fun.com.

Inefficiënte taal

Taal is net als water. Althans, er is genoeg aanleiding toe om dat te denken. Net als water zoekt taal altijd het laagste punt op. Als het simpel kan, dan doen we dat als taalgebruikers ook.

Als we spreken, slikken we klanken in bij de vleet of we schuiven ermee om het onszelf gemakkelijker te maken. We assimileren: een banneling werd een balling, inport werd import. We syncoperen: een lade werd een la, een slede werd een slee. We metanalyseren: een nadder werd een adder, een nonkel werd een onkel. We passen metathese toe: niet-christenen werden gekerstend, een wesp wordt soms een weps. En vaak, heel vaak, verliezen we ons in haplologieën, de kunst van het weglaten van gelijk beginnende lettergrepen. Onze minister-president doet het voortdurend: op ’n gevement.

In schrift korten we al even vaak af, zeker in deze snelle tijden van twitter en sms. Heel efficiënt natuurlijk. Net als water zoeken we de eenvoudigste weg, die ons nog nét in staat stelt met anderen te communiceren.

Daarom wekt het verwondering dat je soms taalveranderingen signaleert die inefficiënt zijn, maar toch voet aan de grond krijgen. (meer…)

Hondola wint de tombola

Laatste ronde: Italië 1967

Uitslagen zeggen niet alles. De nipte zege van John Surtees op Monza in ’67 staat in de boeken, maar waar vinden we de Misschien Wel Beste Race van die Schotse boerenzoon uit Kilmany?

De neutrale toeschouwer heeft het zwaar in het midden van de jaren zestig. Geregeld kijkt hij naar een race met aan kop een groene schicht met ongenaakbare wegligging, bestuurd door een jongeman wiens talent dat van de concurrentie ver overstijgt. Weinig liefhebbers trouwens die het Colin Chapman en Jim Clark kwalijk nemen. De rest moet maar beter worden, laten we intussen genieten van hun superioriteit. Dus terwijl de groene schicht aan de einder verdwijnt, op weg naar weer een onbedreigde zege, kan de neutrale toeschouwer alleen maar hopen op het materiaalspook. De oppermacht van Lotus kent namelijk een keerzijde: Chapmans weigering om marges in te bouwen. Dat bepaalt ook op Monza in 1967 het lot van zijn coureur. En de neutrale toeschouwer? Die geniet deze keer volop mee. (meer…)

Ontwikkelingskrant Amstel III

Amstel III is het Amsterdamse kantoren- en bedrijventerrein tussen ArenA en AMC. Amsterdam wil dit gebied de komende jaren omvormen tot duurzaam stedelijk gebied voor wonen, werken en ontspannen. Eind september maakte de gemeente haar nieuwe visie op het gebied bekend. In samenwerking met Ketchum Pleon en het gemeentelijke projectbureau Zuidoostlob schreef ik de eerste informatiekrant voor eigenaren, gebruikers en omwonenden, waarin de visie wordt uitgelegd en belanghebbenden worden opgeroepen om mee te denken over de toekomst van het gebied. Daarnaast schreef ik de teksten voor de website over Amstel III en de uitnodigingsbrieven voor de diverse inspraakbijeenkomsten.

Voor Jager & Neyndorff, in opdracht van Ketchum Pleon.

Het digitale alter ego

Een anonieme Bonuskaart. Een geheim telefoonnummer. Een nee-nee-sticker. Ingeschreven bij Infofilter. Nooit meedoen aan enig marktonderzoek. Geen DigiD. Snel een nieuw paspoort gehaald om de toevoeging van vingerafdrukken tenminste vijf jaar uit te stellen, in afwachting van het vernietigend oordeel van het Europese Hof. Ik ben gesteld op mijn privacy. Maar wie mijn naam googelt, krijgt een flinke lap zoekresultaten. Mijn digitale alter ego is reusachtig.

Tikje inconsequent? Misschien wel, maar de enige oplossing die rechtdoet aan de bovenstaande opsomming is ‘geen internet’. En daarvoor is het helaas al bijna twintig jaar te laat.

Het is een bekend verhaal: eind jaren tachtig, begin jaren negentig was internet een medium in opkomst. Of grover omschreven: de anarchie heerste er nog. Het werd bevolkt door wetenschappers (die in hun eigen hoekje zaten) en militairen (de oorspronkelijke uitvinders en ook in hun eigen hoekje), maar die zagen ’t langzaam overgenomen worden door studenten die de universiteitstoegang tot het netwerk kraakten om er hun eigen gekke ding te doen. Het was een spannende, experimentele tijd waarin het ontdekken van je digitale alter ego – en het spelen ermee – met vallen en opstaan gepaard ging. Voer voor filosofen en psychiaters, niet voor job inquiries en business opportunities. (meer…)