Playboy wonder

Laatste ronde: Frankrijk 1961

Je hebt van die hardwerkende coureurs, zoals Mark Webber, die er 130 Grands Prix over doen voordat ze er eentje winnen. Giancarlo Baghetti behoort tot de zeer weinigen die meteen op hun hoogtepunt beginnen.

Wanneer de jonge Milanees op 2 juli 1961 in Reims aan de start verschijnt voor de Grand Prix van Frankrijk, de vierde race op de WK-kalender, is zijn kersverse reputatie hem al vooruitgesneld. Daar, in die Ferrari met startnummer 50, zit de coureur die tot nu toe aan twee F1-races heeft deelgenomen. En hij heeft ze allebei gewonnen! Moeder Maria, een godswonder!

Toch gaat het nu vast anders, fluisteren de stemmen. Die twee zeges? In Italiaanse races die niet meetellen voor het WK, met een matig bezet startveld. Goed, op Sicilië, op het circuit van Syracuse, verslaat hij Dan Gurney’s Porsche. Niet slecht. Maar daarna, op het Napolitaanse circuit van Posillipo, is de Britse privérijder Gerry Ashmore zijn sterkste tegenstander. Geen kunst! Nu, in zijn eerste WK-race, moet hij het opnemen tegen giganten. Niet voor niets staan de andere Ferrari’s een-twee-drie vooraan en vertrekt Giancarlo vanaf de twaalfde stek. Dit is het echte werk. (meer…)

Three-horse race

Laatste ronde: Mexico 1964

‘Heiligschennis!’ Zo worden tegenwoordig met regelmaat de dubieuze acties van de erfgenamen van Enzo Ferrari betiteld. Terwijl die voor de Commendatore business as usual waren.

Bij leven was hij al een mythe. Maar na zijn dood in 1988 groeide Enzo Ferrari snel uit tot het boegbeeld van de ‘oude’ Formule 1, het symbool voor alles wat goed was aan de autosport van vroeger. Zowel verstokte tifosi als bittere Ferrari-critici halen vandaag de dag de heilige persona van Enzo Ferrari aan in hun veroordeling van de hedendaagse F1-wereld en de wandaden van bepaalde teams en coureurs in het bijzonder. “De Oude Man zou zich in z’n graf omdraaien!” Als ze de echte meneer Ferrari maar hadden meegemaakt. (meer…)

What’s in a name?

Elk kantoor heeft zo z’n nutteloze bezigheden. Een van onze favorieten in het genre is het verzamelen van bijzondere achternamen. Zoals bakker Slager, vliegenier Baksteen en orthopedisch leverancier Beenhakker.

Mijn eigen achternaam is ook regelmatig onderwerp van verbazing. Veel mensen die ik voor het eerst ontmoet – en door mijn werk zijn er dat elke maand nogal wat – vragen meteen naar de herkomst. Of ik, ook vanwege mijn donkere voorkomen, uit Suriname kom. Stanley Bloempracht, Romeo Denneboom, Angelo Draaibaar, Mattijs Diepraam: ja, ik zie hoe mensen op de gedachte komen.

Meestal zijn we dan al voorbij het stadium van spellen. ‘Hóe zei u?’ Ik herhaal dan mijn naam met een flinke tussenpoos tussen de lettergrepen en zeg er gewoon een raam dat diep is bij. Dat werkt doorgaans prima, ook doordat ik door schade en schande wijs ben geworden. In het verleden heb ik regelmatig op mijn neus gekeken nadat ik over de telefoon een afspraak had gemaakt. Dan verwachtte men een meneer Di Prana aan de balie. Of was er een tafeltje gereserveerd voor meneer De Bruijn. (meer…)

Gethin there first

Laatste ronde: Italië 1971

Inhalen moeilijk? Helemaal niet. Een half leven geleden pakten ze dat zo aan: auto’s met rudimentaire vleugels die volgas over een circuit zonder chicanes vlogen. Toen wilde je in de allerlaatste bocht niet eens op kop liggen.

Het was een meewarig gezicht, een paar maanden geleden in Melbourne. Twintig bolides met een sneeuwschuiver voorop en een boekenrekje achterop. Ze moesten doorgaan voor de nieuwste generatie F1-auto’s. Maar wat moet je als miljoenen fans over de hele wereld meer inhaalacties willen zien? Veertig jaar geleden deden ze dat toch anders. Toen beleefde het slipstreamen zijn hoogtepunt. Vooral op Monza: een circuit in de vorm van een pistool, waar raceauto’s als kogels overheen worden geschoten. In de snelle bochten houden ze het spoor van hun voorganger, want aerodynamische grip, wat is dat? Op de rechte stukken zuigen ze zich in het kielzog om er daarna voorbij te katapulteren. De allerlaatste race van het slipstreamtijdperk is tegelijk de mooiste: Monza in 1971, een race vol verhalen, het een nog onwaarschijnlijker dan het andere. 24 leiderswisselingen en een winnaar die pas in de 52e ronde voor het eerst de leiding neemt. (meer…)

Oranje boven

De laatste ronde: België 1968

Als Lewis Hamilton in 2008 op Spa zegevierend over de meet komt, trekken diverse tv-commentatoren meteen allerlei parallellen met de allereerste overwinning van McLaren. Precies veertig jaar eerder! Hetzelfde circuit! En de apotheose? Al even onverwacht als toen!

Enkele uren later valt de historische parallel in duigen door de strafseconden die Hamilton terugzetten naar de derde plek. Maar de aandacht van het grote publiek is toch even gevestigd op die ene dag, de dag waarop het team uit Woking begint met de opmars naar zijn huidige status als grootmacht. Nu behoort McLaren tot de succesvolste F1-constructeurs aller tijden: 162 overwinningen, 141 poles, 136 snelste ronden, 8 constructeurstitels. Maar de teller begint te lopen op 9 juni 1968. Met een mazzeltje.

Toch is winnen voor Bruce McLaren niet nieuw. Al in 1959 wint hij – dan krap 22 jaar oud – zijn eerste Grand Prix, een zege waarmee hij geschiedenis schrijft. Pas in 2003 lost Fernando Alonso hem af als jongste GP-winnaar. De Nieuw-Zeelander is sowieso een mirakel. Als negenjarig jongetje wordt hij overvallen door de ziekte van Perthe, een heupaandoening die ertoe leidt dat hij drie jaar in een gipsbed ligt. Als hij uit het sanatorium komt, is z’n linkerbeen vier centimeter korter dan z’n rechter. Zijn autosportcarrière gaat er niet minder snel om, met dank aan vader Leslie. De Austin Ulster die Bruce als tiener cadeau krijgt, is eigenlijk bedoeld om uit elkaar te halen. Zo kan hij zijn technische brein scherpen, want Bruce is voorbestemd om de garage van zijn vader over te nemen. Maar de manke zoon gaat ermee racen en verdienstelijk ook. McLaren senior ziet het potentieel en geeft hem ook de Healey die hij voor zichzelf had gekocht. In het voorprogramma van de Nieuw-Zeelandse GP van 1956 rijdt de jonge Bruce met de Healey de sterren van de hemel. De familie McLaren besluit daarop een van de Cooper-sportwagens van Jack Brabham naar Nieuw-Zeeland te halen. De correspondentie die Bruce daarna met Brabham begint, blijkt essentieel. Net als de ‘Driver to Europe’-beurs die hij krijgt van de Nieuw-Zeelandse coureursvereniging. Twee jaar later is hij nummer twee bij het F1-team van Cooper. (meer…)